Zolderraam

Mijn oma belde vanuit de telefooncel bij station Gein naar mijn moeder. Ze was net van ons vertrokken. We hoorden allemaal dat brullende vliegtuig, zij was buiten, ze had het over zien komen.

‘Het was een bom,’ zei ze, ‘ik zag het zelf, het was een bom.’

Ik hoorde dat niet, stond op dat moment uit het zolderraam te turen,  wist zeker dat er straks een vliegtuig op ons pannendak terecht zou komen, dacht: ik moet ze waarschuwen, we moeten weg, en de poes dan, en de buren.

‘Ze dacht dat het een bom was,’ zei mijn moeder, die me naar beneden haalde, ‘maar dat zal toch niet?’

De volgende herinnering is weken, maanden of jaren later, we moeten op school een tekening maken en wie de mooiste heeft mag een mozaïektegel maken voor bij het monument. Of eigenlijk ging het anders, de leraar was vergeten dat die wedstrijd liep en koos een meisje uit dat bij de vorige tekenopdracht het mooist een ladder met een doek erop had nagetekend.

We woonden, al met al, mijlenver bij die ramp vandaan. In rijtjeshuizen, met poezen en buren die in het weekend klaagden over de barbecue en een veldje voor de deur waar een lelijk, ongevaarlijk speelding op was gezet zodat we er niet meer zouden voetballen. We hadden oma’s die de oorlog mee hadden gemaakt en kregen voortaan – althans, ik dan – zweethandjes bij een te luid vliegtuig. Maar er was niks aan de hand. We legden een tegel neer en vonden het erg, we werden gebeld door mensen die nooit in Zuid-Oost kwamen, of we nog leefden. We voetbalden om een blauwe poes heen.

Rijst

Ik zit ziek op de bank een boek te lezen en vanuit een hoek van de kamer fluistert een slap plantje harde verwijten naar me. Ik heb het veel teveel water gegeven, omdat ik de pot zo hoog had gezet dat ik de aarde niet zag. Het plantje kan prima erg lang zonder water maar ik hou er erg van dus geef het veel water. Nu verzuipt het in liefde en pokon. Ik nies. ‘Jij wel,’ zegt het plantje, ‘ik heb er de kracht niet meer voor.’ Op mijn balkon ligt een zak aarde, weet ik, van de keer dat het plantje in een grotere pot moest. Ik zucht en moet daarvan hoesten (het plantje haalt zwak vele schoudertjes op) en denk: ik moet het balkon op. Buiten klinkt gekletter, alsof er emmers over de tegels waaien.

Eerst pak ik de plant. Het water druipt een beetje door het aardewerk aan de onderzijde van de pot. ‘Sorry’ zeg ik. Dan doe ik de balkondeur open. Op het balkon van de buurjongen staan zes jongens met lange witte kunststof stokken. Ze bouwen iets, maar vinden allemaal dat iedereen het helemaal verkeerd doet. Hun gevloek valt stil als ik naar buiten stap. Ik ben blij dat ik voor de zekerheid mijn pyjamabroek verwisselde voor een spijkerbroek. Met mijn rug naar ze toe zet ik de pot met de plant naast de zak verse aarde, die ik eerder had dichtgebonden. Ik schep de natte aarde uit de pot in een Albert Heijn-tas. Zwarte modder. Dan open ik de dichtgebonden zak die niet zo dicht geweest blijkt te zijn, want de aarde daarin is ook al zwarte modder. Het plantje heeft geen ogen maar toch rolt het ermee. Ik kijk naar de lege pot en naar twee zakken modder. Achter me kletteren buizen. Een jongen zegt ‘faja’.

In de keuken haal ik een vork. De Albert Heijn-tas moet helemaal dichtgeknoopt, en dan prik ik heel veel gaatjes in de onderkant. Er druipt water uit. De aarde wordt natuurlijk niet droger. Technisch gezien misschien, maar het zichtbaar is het niet. Het plantje roept naar niemand in het bijzonder: ‘neem me mee!’ Misschien moet ik de tas rondzwaaien, denk ik, als een soort menselijke slacentrifuge maar dan met natte aarde. Ik kijk achterom, maar leg eerst de vork onder de tas. Op het balkon van de buren schiet het ook niet erg op. De enige planten die daarbij betrokken zijn worden opgerookt, het ruikt lekker.
‘Wat maken jullie?’ vraag ik.
De jongens kijken me aan alsof er zojuist een terrastegel is gaan praten. Ik vraag het nog eens.
‘Gewoon,’ zegt er één, ‘een tentje.’
Ze bouwen verder en zeggen niets meer.
‘Gaan jullie kamperen’ grap ik.
Nu kijken ze of er een terrastegel een grapje heeft gemaakt, maar daarna moeten ze lachen. Het zijn vriendelijke jongens.
‘Nee, gewoon, een feestje. Chillen op het balkon.’
‘Vandaag?’ in mijn hoofd reken ik uit hoe laat ik bij mijn vriend in Scheveningen ben als ik nu vertrek. Ik ken die feestjes.
‘Vrijdag. Je hoort nog.’
Ik wens ze succes. Het plantje lispelt dat ik lieg. Ik zet het terug in de pot, met natte aarde en droge rijst. Rijst, denk ik, neemt vocht op. De pot gaat terug op de vaste plek, binnen. Even volhouden, morgen koop ik nieuwe aarde. Het plantje hangt en zegt niet zoveel meer, misschien houdt het niet van rijst.

Net niet leeg

Op de tafel lagen kruimels en een Bijbel. Geen Koran, geen Thora, alleen een Bijbel, dat vond ik oneerlijk, net als het ontbreken van een louterend atheïstisch standaardwerk. Ik ken zo’n werk niet, vroeg me of het bestaat en wat er dan in zou staan. ‘Het is waarschijnlijk niemands schuld’ zou een mooie tekst zijn, maar niet waar. Vaak niet waar. Dan is het een eigen schuld: een aardse schuld, natuurlijk. Tabak, een vuurpijl aansteken met een lucifer in plaats van een lont, drugs, drank, onveilige seks, een voorliefde voor extreme sporten, andere vormen van verwaarlozing. Andermans schuld: wapens, gifbekers, vuisten, chemicaliën, weer die verwaarlozing. Verder is er domme pech en erfelijkheid (schuld: gij plantte zich voort).
‘Het is misschien niemands schuld. Als het iemands schuld is, heeft vloeken naar de wolken geen zin, je kunt alleen nog hopen, maar niet op een wonder.’
Louterend zou het niet zijn, dat standaardwerk, ik liet het varen.
Aan de muur hingen foto’s, een beetje vaal geworden, scheef in zwarte passe-partouts geplakt. Het waren huizen in berglandschappen, exotische mensen van drie decennia terug, een lachend kind, maar allemaal op zo’n manier dat ze geen enkele associatie opriepen aan het breken van een jong leven of het verliezen van de grond onder je voeten. Ik werd ook niet opgetild door de foto’s en er viel niets te reflecteren. Huis. Indiër. Kind. De fotograaf had wellicht zelf geen persoonlijkheid gehad. Zodra ik m’n blik van de foto’s wendde vergat ik ze, wat niet erg was. Ik hoorde veel verschillende pieptonen, ze kwamen uit apparaten die mensen in leven hielden. Rustige piepritmes en soms heel snelle, maar er rende niemand in paniek de gangen door dus het zou wel niet erg zijn. De leuning van de bank plakte aan mijn hand, of andersom.
Er kwam een familie langs, zag ik door de deuropening zonder deur erin, alle vrouwen hadden rode ogen. Ze liepen langzaam en dicht op elkaar. Een trieste rups. Ik had ze aan horen komen. “Even kijken of het hier leeg is”; een vrouwenstem. De vrouw liep voorop. Ze had geen rode ogen maar wijd opengesperde en ze liep veel te rechtop. Standvastig, hoopte ze misschien. “Net niet” zei ze toen ze mij zag zetten. De ruimte was net niet leeg. Ik was bijzaak, niet iemand, maar iets dat ervoor zorgde dat de kamer niet leeg was. De hoofdzaak lag waarschijnlijk aan een apparaat dat piepte. Een kwartier later kwam de familie toch binnen. Ze knikten naar me en vergaten me zodra ze hun blik van me afwendden, wat niet erg was. Ik vroeg me af welke piepjes bij mij hoorden, en wat ze betekenden.

Brommende helikopters en maaiende buurvrouwen

Helicopter pilot

Er klinkt een helikopter. Het geluid is zo hard dat de deken waar ik onder lig trilt. Ik denk aan de piloot. Zou hij weten dat de mensen die onder hem in huizen wonen nu hun servies horen rinkelen in hun kasten? Hoe een helikopter klinkt weet hij vanzelfsprekend. Maar ik vraag me af of hij buiten aan de rover die hij in zijn zoeklicht probeert te vangen, ook aan ons denkt. De helikopter cirkelt langdurig rond, dat heb ik hier in de buurt vaker gehoord. Ik heb zelfs een keer in een zoeklicht gestaan. Toen zwaaide ik naar boven, waarop het licht verder zocht. Deze piloot moet gezien hebben dat ik zwaaide; in zo’n spot moet hij immers ook kunnen onderscheiden of hij een onschuldige voorbijganger belicht of een zware crimineel, herkenbaar aan bijvoorbeeld een merknaam op z’n trui. Althans, dat is mijn theorie.

Ik vermoed dat de piloot die nu boven mijn bed rondjes vliegt niet denkt aan de mensen die proberen te slapen. Hij zou alleen maar afgeleid raken omdat hij zich dan steeds in zijn hoofd zou moeten verontschuldigen: excuus, lieve slapers, voor dit geluid. In mijn hoofd is de piloot dus vrij nobel, maar vraag me niet waarom; er zijn vast ook klootzakken van piloten. Mannen of vrouwen die denken: als ik niet slaap, dan jullie lekker ook niet. Voor ons hier beneden maakt het weinig uit welk karakter de piloot heeft, natuurlijk. Je hoort de wieken sowieso. Ik vind het een leuk geluid, dat komt vast omdat je als kind in vervoering raakt wordt wanneer er een helikopter te zien is. Nu is er in mijn hersens een verbinding aangelegd: helikopter = cool. In andere landen is het misschien: helikopter = eng. Of: helikopter = eten. Zouden sommige mensen honger krijgen van het geluid van een helikopter?

Mijn onderbuurvrouw maakt net zoveel geluid als een helikopter. Door haar stem werd ik net wakker; de heli kwam er later bij. Shirley begint ’s ochtends vroeg met lawaai maken en eindigt er zo tussen één en twee mee. Ze schreeuwt tegen haar gasten en tegen de computer waarmee ze naar Ghana belt. Volgens mij schreeuwt ze ook tegen haar tv, haar bank en erg vaak tegen haar voeten, die dan terugstampen. Ze denkt niet aan mij of aan haar andere buren, waarmee ze in zekere zin met de piloot, of eigenlijk zijn helikopter te vergelijken is. Misschien zit er onder haar schedelpan wel een minipilootje, dat denkt: sorry, echt sorry mensen, het geluid is een bijproduct! Ik troost me met de gedachte dat mijn buurvrouw weliswaar geen zoeklicht heeft, maar hoogstwaarschijnlijk wel erg effectief is in het afschrikken van inbrekers, rovers en ander geteisem.

De helikopter wiekt weg, Shirley vloekt verder. Misschien slaagt ze erin al maaiend met haar armen op te stijgen, de piloot achterna. Ze zullen een fantastisch team zijn.
_______________________________________________________________________

foto via ulcahelo

Verre gesprekken: wenkbrauwen

‘Ik ben mijn wenkbrauwen bij aan het laten groeien’
-Ja man, ik ook
‘Eerst waren kleine wenkbrauwen helemaal hot, ofzo’
-Zeker
‘Ging ik gewoon naar school, traliela, met twee lijntjes daar’
-Ja man, iedereen was een fokking geplukte kip
‘Maneesha is nog steeds een geplukte kip’
-Maneesha is raar
‘Fokking kip’
-Je wenkbrauwen zijn echt dik
‘Ja maar met stoppels’
-Daar moet je even doorheen, had ik ook
‘Stoppels?’
-Ja niemand mocht dichtbij me komen hoor, fokking stoppels op me oog
‘Maneesha heeft stoppels op haar lip’
-Beter heb je stoppels op je oog
‘Daar moet ik even doorheen’
-Dunne wenkbrauwen zijn echt over
‘Jeweet’

(locatie: lijn 53 | sprekend: twee schoolmeisjes)