Tellen

The VIDA Count is een jaarlijkse inventaris van het percentage mannen/vrouwen (en inmiddels meer dan dat) dat in (literaire) tijdschriften publiceert.

In de VS doen ze ’t zo, tellen. En hoewel er altijd wel iemand kwaliteitsargumenten begint op te sommen en ook cijfers alle kanten op geïnterpreteerd kunnen worden, of misschien juist daarom, is zo’n telling betekenisvol – immers, de discussie over (gender/enz)gelijkheid wordt van beide kanten direct doodgemept als er niemand met getallen over de brug komt.

Je kunt gnuiverig worden van het Amerikaanse jargon (‘do you identify as disabled, trans, black, impaired, etc…’) en vinden dat dit verdelen-om-te-tellen juist die hokjesgeest in stand houdt – neemt niet weg dat het interessant is om te zien hoe het gesteld is met de diversiteit onder de schrijvers van belangrijke tijdschriften. Wat betekent dat? Hoe vind je dat de verhouding zou moeten liggen? Kun je hieraan aflezen waar je terecht kunt als lezer met behoefte aan variatie – dus niet alleen kritiek, essay, proza en poëzie van the usual suspects? Kun je hieraan als schrijver aflezen waar je vermoedelijk meer bent dan de excuusvariatie?

Zonder te willen beweren dat alles uit Amerika klakkeloos en zonder enige aanpassing overgeheveld kan worden naar hier: het zou interessant zijn als de Europese of Nederlandse periodieken ook aan een analyse als dit onderworpen zouden worden – een soort Lezeres des Vaderlands Megathunder2000plus. Maar goed, schreef de huichelaar, zelf ga ik dat dan weer niet doen, ik schrijf beter – iets waar ik de afgelopen dagen, na het (met vereende krachten) opstellen van de open brief aan de CPNB overigens niet aan toekwam. Ja, e-mails schreef ik, ongeveer 4800394. Lezen deed ik ook: van warme steunbetuigingen tot opbouwende kritiek tot mensen die vinden dat ik mijn feministische zeikmuil moet houden omdat ik geen lekker wijf ben.

Een grafiek zal iemand die zo redeneert niet op andere gedachten brengen. En toch.

De moeder de, eh

Het is hachelijk, een uitermate feminien boekenweekthema – met goede wil en een bord voor je kop zou je het dapper kunnen noemen van de CPNB, bijvoorbeeld met het recente promotieonderzoek van Corina Koolen in je achterhoofd. Zij toonde (tot grote verontwaardiging van mensen die er geen vijf jaar onderzoek in hebben gestoken) aan dat alles wat met vrouwen te maken heeft in de literatuur weliswaar heus kan verkopen, maar stelselmatig lager gewaardeerd wordt. Zie hier gelijk de tweespalt waarin de CPNB zich bevindt: de boekenverkoop moet gepropageerd worden, maar heb je het over boeken, heb je het ook over de literaire sector. Waarin verkoop onmisbaar is, maar waar ook allerlei sociale en culturele kapitaaltjes rondwaren. Simpel gezegd – en simpel stelde ik ook alles hiervoor –  Van Royen en Noort zijn verkoopknallers waar menig vijfsterrendichter met een oplage van driehonderd exemplaren desondanks over staat te gnuiven boven z’n huismerkwijntje.

Zou verkoop – het aanspreken van een zo breed mogelijk publiek – de reden zijn dat zowel de schrijver van het Boekenweekgeschenk als die van het Boekenweekessay een man is? Is De moeder de vrouw al iets te veel wijf om er ook nog een over aan het woord te laten, al is het (prachtige) gedicht ooit door een man geschreven? Ik stel de vraag alsof hij retorisch is, maar de wegen van de CPNB zijn ondoorgrondelijk, en laten we wel wezen, ze doen het daar eigenlijk nooit goed volgens alle literaire stuurlui aan wal. Je (nee, pardon: ik) moet er toch niet aan denken dat het jouw taak is een heel land tevreden te stellen met één thema en twee schrijvers – dat kan helemaal niet. Of, ook superkut: dan ben je Jan Siebelink (geschenk) of Murat Isik (essay), dan krijg je het uiterst lucratieve en prestigieuze verzoek voor de Boekenweek in de pen te klimmen, vallen al die zeikwijven(m/v/x) over je heen. Wat moet je dan doen: weigeren? Zeggen: ‘ik doe dit alleen als het andere boekje door iemand die zich identificeert als vrouw, als moeder, wordt geschreven’?

Nou ja: aangenomen dat beide auteurs met het thema bekend waren voor ze werden gevraagd, waarom niet weigeren? Maar zoiets doe je alleen als je wel eens over dit soort zaken nadenkt, je een bepaalde mening gevormd hebt, je misschien wel geneert voor het feit dat er twee kerels gevraagd worden om over vrouwen te schrijven, en je sterk verplicht voelt naar die gêne te handelen. Sterker, bedoel ik, dan voor de rest van je leven auteur van een Boekenweekgeschenk te zijn. Sterker dan, hoe je het ook wendt of keert, de enorme erkenning die dat betekent, ook voor iemand als Siebelink (laat ze maar gnuiven met hun supermarktwijntjes). En dan de vrijheid die die erkenning met zich meebrengt – natuurlijk, je hebt een jaar geen tijd om ook maar één letter op papier te zetten, maar daarna hoef je misschien nooit meer iets anders te doen dan wat je het liefste doet: schrijven.

Kun je het de schrijvers aanrekenen? Ja, maar ook weer niet zo hard, enig inlevingsvermogen is hier op z’n plaats, al kan inleven soms hard werken zijn. Bijvoorbeeld als je zoals ik hierboven heel hard probeert een beetje medelijden te hebben met de mensen van de CPNB, dat gaat dan nog nèt. Maar wat níet gaat is zo ontzettend inlevend één worden met die organisatie dat je kunt invoelen waarom de fuck deze keuze gemaakt is, hoe je – als dat nattevingerwerk van mij klopt – je godsnaam in dat tweespalt tussen commercie en cultuur kunt bevinden en kan denken: weet je wat, dit is waarschijnlijk wat ons plebsje wil en dat je dan dus geen romanpersonage van Thierry Baudet bent, maar iemand die in de Werkelijke Wereld een beslissing maakt.

De totale absurditeit en problematiek van het feit dat dit Boekenweekthema ingevuld wordt door mannen die over vrouwen schrijven, heeft kennelijk voor niemand bij de CPNB zwaar genoeg gewogen om te zeggen: ‘Hee, mensen, is het mogelijk dat we naast een man ook een vrouw vragen? Misschien een vrouw die ook moeder is? Want, nou ja, op zich, van de afgelopen tien Boekenweekgeschenken zijn er überhaupt maar twee door een vrouw geschreven? En staat niet in onze promotekst “Het thema kent twee verschillende perspectieven, die van de moeder zelf maar ook die van het kind.”? Even buiten beschouwing gelaten dat er nog veertien andere perspectieven te bedenken zijn? Anyone?’

Of is dat wel gebeurd? Zo ja, wat was het antwoord? Hier een gokje:

‘Ja zeg, we gaan die gleufdieren toch niet over zichzelflaten schrijven? Of over hun moeder? Vrouwen schrijven altijd alleen maar over gezinswissewasjes, mannen weten het moederschap veel universéler te maken!’

Waarop de spreker in kwestie zijn zomervacht schikte, op zijn mammoet stapte en vertrok. Bij het verlaten van de grot sloeg hij, bij gebrek aan deur, nijdig de muil van een drachtige koffiedame dicht.

*17-6: kleine toevoeging: in het stuk hierboven wek ik de indruk dat zowel Siebelink als Isik over het Boekenweekthema dienen te schrijven. Dat is niet waar: de schrijver van het geschenk – Siebelink dus – is vrij in zijn onderwerpkeuze. Dat neemt niet weg dat het wonderlijk is dat er met een Boekenweekthema als dit twee mannen als vlaggenschip aangesteld worden, en verandert niets aan mijn verontwaardiging, die ik goddank met velen deel.

Een soort verbale selfie (over smartphones en Facebook)

In Tijd, een zaterdagbijlage van Trouw, een artikel over drie jonge mensen zonder smartphone. Die van Auteur Anne Wijn (‘twintiger’) werd gejat: ze ervoer opluchting. De geïnterviewden schaften er nooit een aan of grepen bewust terug naar een simpeler model.

Ik denk vaak aan een filmpje uit de jaren negentig, geschoten in en rond Amsterdam Centraal, waarin mensen monter uitleggen waarom ze nooit een mobieltje aan zullen schaffen. Ze zien eruit om heimwee van te krijgen, wat helemaal nergens op slaat, dat komt gewoon omdat ik zelf de leeftijd krijg waarop ‘vroeger’ als glanzend en versimpeld geluk aan het eind van de regenboog ligt; als ik lang denk aan waar ik toen allemaal mee zat zou ik bijna een feestelijke optocht organiseren omdat ik goddank geen tiener meer ben.

Toch: de herinnering aan het filmpje komt niet voor niets zo regelmatig terug. Mijn eerste mobiele telefoon kreeg ik rond m’n zestiende, tegen m’n zin, maar ik belde zo’n beetje dagelijks (collect…) naar huis met de telefoons die op Centraal Station stonden. Als ik met mensen afsprak op het meetingpoint van datzelfde station kwamen ze steevast een halfuur te laat en dan zeiden ze ‘ja, als je nou een telefoon had, kon ik je sms’en.’ Stond ik zelf stil in metro 54, maakte ik me zorgen om wie ik liet wachten. De eerste smartphone stelde ik lang uit. Inmiddels overweeg ik iedere dag dat ding, omdat het zo groot is dat het in geen enkele zak past (of wel, maar dan kan ik niet zitten of mijn been niet buigen) een sloot in te flikkeren. Net als dat ik er al jaren naar neig m’n Facebookprofiel op te zeggen wegens moedeloosheid: al dat gekanker op alles, mensen met de selfietyfus, baby’s die ik niet ken, complotdenkers die ondanks hevig filteren mijnerzijds toch steeds weer de kop opsteken. De mens is mooi, het vreemde geweldig, maar op deze manier blijft er weinig van over. Misschien juist door dat gefilter. Enfin, wie zonder zonde is enzovoorts, ik zadel een deel van u op met dit uiterst particuliere blogje, een soort verbale selfie, via Facebook.

In het artikel van Anne Wijn las ik dat de belangrijkste reden dat ik de smartphone nog heb, precies is wat de drie smartphonelozen als grootste – maar duidelijk geen onoverkomelijk –  nadeel ervaren: de (halleluja!) navigatiefunctie. Hoewel ik heb leren kaartlezen in een tijd dat Google Maps nog toekomstmuziek was, ben ik er altijd hopeloos, stereotypebevestigend, beschamend slecht in geweest. Sinds ik weet hoe je jezelf met behulp van een telefoon in een blauw bolletje kunt veranderen dat met de kaart meeloopt is het leven zo ontzettend veel makkelijker geworden. Voor het vragen van de weg ben ik niet te beroerd, maar mensen die dit argument verbolgen op hun Facebookpagina plempen zijn duidelijk nooit analoog fietsend midden in de nacht in een diep slapend dorp, het verkeerde dorp, terechtgekomen, of door een kaartleesfoutje midden in een sneeuwstorm in de slechtste wijk van Chicago om door een goedgeluimde doch doodenge kerel vol getatoeëerde tranen onder z’n shifty eyes naar een beter oord te worden geëscorteerd (goed verhaal, maar ik had deze ervaringen best kunnen missen).

En Facebook dan? De reden dat ik daar nog ronddool deel ik met veel andere creatieven. Het is een reden waar ik me een beetje vies-plakkerig bij voel, maar wel een belangrijke: ik ben zichtbaar. Of in ieder geval: mijn werk is dat. Nu is ‘zichtbaarheid’ niet de primaire drijfveer achter wat ik doe, het krijgen van opdrachten is wél belangrijk, en ook opdrachtgevers vinden of kennen me vaak via het medium.

Het kan anders, dat zal het uiteindelijk ook wel, in ieder geval betreffende dat slepende geFacebook. De navigatiekwestie, intussen, stel ik hoe dan ook nog even uit. In het najaar ben ik terug in Chicago, vermoedelijk als het gelukkigste blauwe bolletje in het stratenplan.

[foto: een analoge spiegelselfie]

De onvermoeibaren

Nieuwe dingen in de letteren zijn altijd problematisch, de sector is voor een groot deel wonderlijk conservatief terwijl er ook heel vaak geroepen wordt dat ‘de urgentie’, ‘het engagement’, ‘de strijdlust’, ‘de inhoud’ ontbreekt. Dat wordt dan geroepen naar jonge auteurs (die zijn immers ook nieuw) en andere millennials, althans, dat zou je denken, maar als die dan daadwerkelijk actie ondernemen blijkt dat ook weer niet de bedoeling te zijn, dus feitelijk wordt er naar helemaal niemand geroepen maar slechts vanuit archiefkasten instemmend tegen elkaars oude witte porum gerocheld middels belegen (social media) kanalen.

Ik chargeer, doe dat hartstochtelijk, blijf dat ook doen, de nuance haalt u maar even uit uw eigen navel – ik ben in de literaire sector nog minstens dertien jaar een jonge auteur (wat helemaal nergens op slaat, en als vrouw ga je vervolgens vrij vlug over op ‘oud en niet volledig serieus te nemen’, waar je als man met twee rimpels, een grijze haar en een nostalgische roman ineens ‘erudiet’ wordt, dit terzijde) en neem het er even van.

Goed, engagement en de urgentie (twee woorden die net zo hol zijn geworden als de koppen van vastgeroeste literatoren, enfin): op 5 maart lanceerde de splinternieuwe uitgeverij Chaos haar eerste boek: Een kamer voor jezelf (Virginia Woolf). Chaos profileert zich als ‘een jonge, feministische en intersectionele uitgeverij’. Op zich niet wereldschokkend: feministische uitgeverijen en groeperingen kunnen zelfs ouwe zeurpieten zich nog uit vroegere tijden herinneren, hoewel de toevoeging ‘intersectioneel’ wellicht/helaas wat zeldzamer is. Wereldschokkend is wel dat zo’n uitgeverij nog nodig is, en het allerwereldschokkendst (en vreemd genoeg tegelijkertijd verschrikkelijk voorspelbaar) is de facebookreactie die haar bestaan uitlokt bij Joost Nijsen, van Uitgeverij Podium:

‘Begrijp dit niet. Vrouwelijke en niet-witte auteurs bevolken momenteel juist royaal alle Nederlandse fondslijsten. Die arme witte mannelijke schrijver, denk ik wel eens (maar dan moet hij maar beter zijn best doen; vooral jonge witte Nederlandse mannen tonen momenteel weinig sturm und drang). En dan nu een feministische uitgeverij beginnen, ‘intersectioneel’ nog wel? Weird. Maar het mag allemaal hoor, en wie weer komen daar nog een paar hele mooie boeken uit.’

De reacties onder zijn opmerking zijn op het moment dat ik dit schrijf instemmend. Vermoedelijk omdat de vrouwelijke en niet-witte auteurs in kwestie zijn gestikt in hun ontbijt, of flauwgevallen van het rollen met de ogen, of de drager waarop ze dit bericht lazen tegen een muur hebben gesmeten, of al vijf keer zijn begonnen aan een weerwoord maar in gedachten het oerdomme seksisme en racisme dat ze ten deel zal vallen maar niet weggeschreven krijgen, of denken: het heeft geen zin, wat ik ook schrijf, het is bij voorbaat niet waar, en uiteindelijk verzandt die discussie gewoon weer in dat iedereen het er hoe dan ook over eens is dat literaire kwaliteit het allerbelangrijkst is in literatuur.

Althans, dat zijn de fases (een zelfstandige meid is op een heimlichmanoeuvre voorbereid) die ik doorliep. Ik wilde iets zeggen, de moed zonk me in de schoenen. Ik denk dat het niet waar is, van die fondslijsten – zeker niet op het vlak van niet-witte schrijvers. Had ik maar cijfers, dacht ik. Telde de Lezeres des Vaderlands nog maar. Want als er ergens om geroepen wordt in discussies als deze, zijn het ‘harde cijfers’.

Misschien moest ik zelf gaan tellen: de fondslijsten van alle Nederlandse en Vlaamse uitgeverijen, hoeveel mannen en vrouwen daar werken en welke kleur ze hebben, en het gaat natuurlijk helemaal niet om die fondslijsten dus ook de recensies, de recensenten, de literaire prijzen en hoe zich die in status en bedragen tot elkaar verhouden, wie die prijzen winnen, wie er in de jury zitten. Hoeveel manuscripten er door mannen en vrouwen worden ingezonden naar uitgeverijen. Of die allemaal gelezen worden en door wie. Hoeveel jongens en meisjes in aanraking komen met literatuur. Welke voorbeelden ze hebben. Of ze gemotiveerd worden. Of ze er stil bij hebben gestaan dat boeken ook over hen kunnen gaan, of geschreven kunnen worden door mensen die op ze lijken… verdomd, gleed ik zo die cijfers uit.

Cijfers zijn belangrijk en veelzeggend. Maar naast ’t feit dat ik geen tijd heb om me over dit telwerk te buigen (‘dan maak je maar tijd’ – oké brb even al mijn werk afzeggen en onder een brug gaan wonen) gaat het hier ook om ontelbare mechanismes die je mensen gewoon niet aan hun botte verstand gepeuterd krijgt.

Het wordt wel geprobeerd. Schrijver Tjitske Jansen (ze is lang niet de enige) voert al tijden een strijd, ook weer op Facebook, waarin ze verontwaardigd wijst op bijvoorbeeld het gebrek aan vrouwelijke genomineerden voor literaire prijzen, of al die kerels (en bijna geen vrouw) die op een Boekenweeklijst worden uitgelicht. Uiteraard (en terecht) wordt daar vaak op gereageerd met een roep om cijfers. Maar ook – je gelooft het gewoon niet – met de opmerking dat mannen waarschijnlijk gewoon beter kunnen schrijven.

Tsja. Als je aan bijvoorbeeld het lekker-tellen-archief van De Lezeres de conclusie verbindt dat ‘mannen nu eenmaal beter kunnen schrijven’ omdat ze meer besproken worden, ben je al niet meer aan het tellen – dan ben je aan het interpreteren. Dat doe ik nu ook, dat weet ik ook wel, maar als we elkaar dan toch met interpretaties om de oren slaan dunkt me dat iedereen daaraan mee mag doen.

Ik beschrijf wat Jansen doet als strijd, maar eigenlijk is dat een moeilijk woord – het lijkt te impliceren dat iemand het onderspit moet delven, afgemaakt moet worden. Of: het kan zo opgevat worden. Het wórdt zo opgevat – de reactie op feministische uitingen, of ze nu genuanceerd zijn of gechargeerd, rustig of woedend, is niet zelden een ‘o, dus nu mogen de mannen niet meer?’.

Jezus Christus, kerels, natuurlijk wel. Vooruit: het is misschien een beetje vervelend dat je wijfjes niet meer zomaar bij hun tieten mag grijpen op de kerstborrel en dat je geen ‘neger’ meer mag zeggen en dat jouw bloedserieuze uiting over ‘de intellectuele onvermogens van de vrouw’ met hoongelach in ontvangst wordt genomen, maar (en ik ren even de literatuur uit) als je nu ineens ‘bang wordt om tegen vrouwen te praten’ heb jij  een probleem, namelijk met het feit dat vrouwen kennelijk zo mijlenver van je afstaan dat je denkt dat je ze moet behandelen als een gevaarlijke diersoort met allemaal enge slagtandjes in plaats van potentieel neutrale gesprekspartner, echt waar, ‘lekker weertje’ kun je tegen iedereen zeggen, de truc is feitelijk gewoon het bij je houden van die enge röntgenblik (zie ook deze). Maar natuurlijk mag je nog! Schrijf die midlifecrisisroman! Verdiep je in de wittemannenfilosofen! Graag! Dat heeft waarde, is mooi, is prachtig! Maar waarom, in vrédesnaam, is het zo’n enorm probleem als een groep mensen besluit te benadrukken dat er ook andere stemmen zijn, andere mensen gerepresenteerd moeten worden, gehoord willen worden, gelezen willen worden, willen lezen? Let wel: óók. Niet: ‘alleen maar’.

Vergeef me al het afdwalen en uitweiden – of niet, als je het maar niet aan mijn sekse wijdt. Zie je wat hier gebeurt? Ik doe iets wat mogelijk kritisch ontvangen kan worden. Dat is geen probleem. Wel problematisch is dat ik reacties als ‘vrouwen kunnen niet helder formuleren door [vul hier iets over hormonen, baarmoeders, oermensen in]’ of ‘zeker ongesteld’ of insinuaties over mijn seksuele voorkeur of hoe ik ‘in de markt lig’ (‘ze hep kort haar!’) automatisch incalculeer. Dat is, kan ik je vertellen, vreselijk hinderlijk en raakt een belangrijk punt:

Het is zo allemachtig frustrerend om niet serieus genomen te worden omdat je afwijkt van wat een te groot deel van de mensen (vaak onbewust) als standaard ziet. Het is zo klote om jezelf niet als meer dan stereotype of figurant terug te vinden in wat je leest over de wereld.

Dit schrijf ik niet omdat ik mezelf zielig vind – over positieve en serieuze aandacht voor mijn roman heb ik niets te klagen, en hoewel spaarzamer dan je zou denken, er lopen in de geschreven literatuur heus zelfredzame witte vrouwen rond. Meer dan zwarte mannen en vrouwen, wil ik zeggen, en transvrouwen -en mannen. En nee, ik lees niet alleen om mezelf te vinden, maar is het niet fijn om soms in een boek (of film, of serie, of het nieuws) tegen jezelf aan te lopen? Of tegen wie je zou willen zijn, of kunnen worden, of goddank niet bent geworden? Ik (en ik beloof dat ik straks weer uit mijn eigen navel kruip) weet nog wanneer dat voor mij heel, heel erg belangrijk was: namelijk rond mijn veertiende, toen ik in mijn eentje stiekem alle homoplanken en de halve sociologie-afdeling van de Openbare Bibliotheek uitlas in de hoop gelijkenis te vinden, richting, een bewijs van mijn bestaan, en ook een toekomstbeeld waarin ik niet noodzakelijk Ellen DeGeneres of Mathilde Santing was. Ook nu vind ik het nog wel eens jammer dat ik nauwelijks boeken of films tegenkom waarin een vrouw alsof het de normaalste zaak van de wereld is zowel op mannen als vrouwen kan vallen, zonder dat dit gelijk ontaardt in kinky taferelen vol voorbinddildo’s, of zonder dat dat Het Hele Plot is. Hoewel Het Hele Plot ook al een cadeautje zou zijn.

En: ondanks het feit dat mijn schrijven regelmatig serieus genomen wordt, merk ik vaker dan me lief is dat De Schrijvende Vrouw nog steeds (naast de gebruikelijke vieze) wat vreemde reacties uitlokt.

‘Dus jij hebt ook een boekje geschreven’

‘Ben jij een van die jonge dichteressen?’

‘Ik lees geen vrouwen.’

‘Ja, ze zoeken bij elke uitgeverij mooie jonge vrouwen nu, he?’

‘Nou, jij weet tenminste zeker dat je níet om je uiterlijk een contract hebt binnengesleept.’

‘Nou, die lezing viel alles mee, we dachten nog: “wat kan zo’n meisje nou te zeggen hebben.”‘

Nu moet ik me indekken want ook mannen krijgen weleens een rotopmerking en ben ik een zacht (vrouwelijk, emotioneel, hysterisch) ei soms? Neen, ik loop niet permanent gekrenkt rond. Ja, ik vind ook dat je er te hard over kunt zeiken (dus ik dacht, ik doe het in één keer, de nada). Maar deze shit is structureel. Voor mij, voor heel veel anderen, die als ze gekleurd, trans, allochtoon of anderszins ‘anders’ zijn per afwijking van de standaard meer shit over zich heen krijgen en meer deuren voor zich zien sluiten.

Niet allemaal in gelijke mate, niet iedereen zit ermee, dat hoeft ook niet, maar veel mensen wel en die willen daar wat aan doen. Die willen uit de marge, maar moeten eerst, en weer, altijd wéér, die marge zichtbaar maken.

Het is een godsgeschenk dat er ook nu mensen een feministische, intersectionele uitgeverij beginnen. Dat zij en anderen vorm en inhoud in de volle breedte vieren, dat er onvermoeibaren in discussie blijven gaan. Dat er mensen zijn die zeggen: hier zijn we, we komen eraan, hoewel we er al de hele tijd waren, maar goed, met onze woorden en geschiedenissen en verlangens, met gevoeligheden en humor, met vallen en opstaan, voorzichtig en met trompetgeschal, hier zijn we, we bestaan en hebben een stem en zijn meer dan alleen kut, kleur of seks en hier, hier, hier, nu, nu, nu, kun je dat horen.

Dat gerochel uit die archiefkasten moet te overstemmen zijn.

*

Me too, ik ook

‘Me too’
Social media staan vol met de woorden.
‘Ik ook’
Je plaatst ze als je ooit te maken hebt gehad met seksuele intimidatie of seksueel geweld. Het is een initiatief van Alyssa Milano, Hollywoodactrice, die een anoniem gebleven vriend(in) (fijn, dat neutrale ‘friend’) aanwijst als brein achter het idee.* Als iedereen zich uitspreekt, is de gedachte, wordt de omvang van het probleem zichtbaar.

Me too, ik ook, me too; iedereen die de woorden plaatst kan te maken gehad hebben met een scala aan agressiviteiten. Vies nagefloten worden, keihard verkracht zijn, die twee krijgen met een actie als dit hetzelfde gewicht. Wat inderdaad de omvang van een groot probleem aankaart; het lichaam van vrouwen (vooral vrouwen, maar ook een hoop mannen) dat zomaar beoordeeld, aangeraakt, geseksualiseerd mag worden, ook als de vrouw (ik hou het even bij die vrouwen want ik ben er een) in kwestie gewoon even in haar huispak naar de supermarkt slentert. Ik schrijf dit en schrik er zelf van; als een vrouw danst, of een minirok draagt, of aantrekkelijk lacht of veel tiet laat zien, mag je er ook niet aanzitten zonder toestemming. Ook niet heel even en ook niet als niemand het ziet – er is nooit niemand die het ziet, overigens, want die vrouw heeft waarschijnlijk ook ogen of andere zintuigen waarmee ze merkt dat er iets misgaat en je bent er verdomme zelf ook bij, met je geweten en je mores. Het gaat natuurlijk ook niet alleen maar om ‘aanzitten’. Het gaat ook om naar zo’n vrouw kijken, een vriend (m/v) aanstoten en zeggen: die zal zich wel omhoog geneukt hebben, want als je al tieten hebt kun je niet ook nog hersens hebben.
Enfin, ik dwaal af naar alles wat al duizend keer gezegd is en nog steeds gezegd moet worden.

Even bekroop me de bekrompen gedachte dat die ongewenste fluitjes, die ‘hee lekker wijf’, dat ‘mooie tieten’, zo’n ikookactie enigszins zouden eroderen. Want is dat niet een beetje deel van het dagelijks leven? Moet je daar eigenlijk gewoon effe niet zo over zeiken? Maakt de ‘me too’ van iemand die ‘alleen maar een keer’ een hand op haar kont heeft gevoeld in de metro, die van iemand die in haar eigen bed verkracht is minder waard?

Waarom denk ik zo? Waar ligt dat aan? Hoezo ga ik, De Grote Ik, nu weer beoordelen wie waar last van heeft, hoezo is mijn eerste reactie kritiek? Omdat ik pas ballen heb als ik zeg dat mensen niet moeten zeiken, misschien. Omdat mijn eerste reactie op dit soort initiatieven altijd nogal zuur is. Wat helpt dat nou, denk ik dan. Wat gelijk het antwoord op dezelfde vraag is, trouwens, want dit helpt het, je gaat erover denken, zelfs als je je in dezelfde bubbel (zucht) bevindt als degene die zich uitspreekt.

Wat betreft dat geërodeer: hoe open je ook wenst dat zaken als dit besproken kunnen worden: net als dat je niet zomaar je hand op de kont van een vreemde legt in de metro, kun je niemand dwingen haar hele (pijnlijke, precaire) verhaal te vertellen – al is dat soms de enige manier waarop het voor mensen duidelijk wordt dat het écht is, écht gebeurt, ook bij iemand die ze kennen van werk, school, tv, familiefeestjes. Degenen die wel het lef hebben zo open te zijn mogen wat mij betreft indien ze dat prettig vinden op een ereschild rondgedragen worden, maar wie ben ik, enzovoorts.

Nu doen we ’t met een ‘ik ook’. En de verontrustende gedachte dat daar werkelijk van alles achter kan zitten, ook die dingen die je niet wilt weten, veel vaker dan je denkt, ik ook, ik ook.

*update: Nee, het was Tarana Burke die er aanvankelijk mee kwam. ‘Me too’ als beweging, niet als simpele hashtag.

Postgay

Het is vandaag coming-out dag. Je kunt er een heleboel van vinden, dat er een dag is speciaal gewijd aan het uitkomen voor je geaardheid, je kunt ook gewoon je klep houden en denken: als iemand daar wat aan heeft is het alleen maar goed.

Als ik vroeger dreigde te moeten of willen te vertellen dat ik een vriendin had, voelde het heel even alsof de hele wereld in een rottempo samen gezogen werd in mijn borstkas, zo eng vond ik het. Nare reacties waren het probleem niet eens zo, eerder het feit dat het vaak duidelijk werd dat ik voortaan nog voor ik Roos was, met allerlei goede en slechte eigenschappen, interesses, een grote voorliefde voor kaasfondue, dat soort dingen, toch vooral die ene lesbo was. Maar verzwijgen deed ik het ook niet. Leer het maar, dacht ik vaak, wen er maar aan. Na een tijdje was het allemaal zo eng niet meer natuurlijk, en waren anderen er meer mee bezig dan ik.

Die hele riedel moest opnieuw toen ik ineens een vriend kreeg – paste niet in het plaatje, was het dan allemaal een fase, of is die kerel een fase, ben je nu niet meer lesbisch, ben je nu helemaal hetero, ja Jezus mensen, weet ik veel, zullen we het anders even over de gestegen tarieven voor het openbaar vervoer hebben, of je laatste vakantie?

Iedereen moet de hele tijd geduid worden. Vandaag in Het Parool, over een nieuwe generatie LHBT(QI – enz enz)’ers:

“Sociale wetenschappers noemen hen ‘postgays’. Ze geloven niet in het klassieke onderscheid tussen homo en ­hetero, of zelfs dat tussen man en vrouw. Seksuele identiteit en gender zijn fluïde, vinden ze. Ook willen ze zich niet hoeven verantwoorden voor hun seksuele geaardheid. Hetero’s hoeven hier toch ook niet voor uit te komen, stellen ze.”

Postgays. Ik word al moe als ik zo’n term lees, zie gelijk ook allemaal moeilijke kapsels en broeken in rare lengtes voor me (of postbezorgende nichten, maar oké). Laatst sprak ik iemand die uitriep: ‘is er dan in godsnaam niemand meer gewoon lesbisch?’. Tuurlijk wel, net als dat er een heleboel mensen kneiterhetero zijn of die-hard homo.

Maar ik snap het ook wel weer, dat gepostgay. Je legt het probleem – dat er helemaal niet zou moeten zijn – bij de ander: als jij me niet snapt, moet je daar zelf maar mee dealen, now if you don’t mind, ik ga verder met mijn leven dat uit meer bestaat dan ‘of er wel eens geschaard wordt’.

In het artikel wordt benadrukt dat het gaat om een kleine, geprivilegieerde groep jongeren. Die kunnen dat maken. Daar kun je vol dédain naar kijken. Je kunt ook hopen dat iedereen ooit alles kan maken, dat het ergens moet beginnen.

 

Aan de Amsterdamse grachten

De eerste burgemeester die ik me kan herinneren is Van Thijn. Daar hadden volwassenen het over, over Van Thijn en Gorbatsjov (die vlek!) en Wim Kok. De dingen die ik later wel zou gaan begrijpen – verkiezingen, politiek. Dingen die naarmate je er meer van wilt begrijpen ingewikkelder worden, zo bleek, ik snap er nog steeds niet veel van. Dat klinkt nalatig en dat is het ook; terwijl ik met leeg hoofd politieke berichtgeving probeer te lezen, ben ik ook van mening dat je als weldenkend onderdeel van een democratische samenleving ten minste lichtelijk op de hoogte moet zijn van het hoe & wat. Tegelijkertijd ben ik gemaakt voor zo’n democratische samenleving – met iets te veel vertrouwen ga ik er vanuit dat ze heus wel weten wat ze doen daar, in die torentjes en ambtswoningen. Dat het allemaal niet zo zwart-wit is.

Toen zich een menigte verzamelde onder de burgemeesterswoning was ik thuis, later keek ik er een filmpje van (het zal eens niet, ik ben altijd thuis en kijk altijd de filmpjes), waar ik over wilde vertellen aan mijn moeder maar ik moest huilen. Omdat ik erg van de stad hou en omdat sentimenteel zingende menigtes een gezapig snaartje raken en omdat het ook nog een smartlap was; ik herinner me de keer dat ik door de Jordaan liep en op een smartlappenkoor stuitte, iedereen stond er in een kleine kring omheen en iedereen wiegde mee en had tranen in zijn ogen, ik ook, ‘goddomme zeg,’ zei een man toen het klaar was en ik zei ‘ja goddomme, allemachtig.’

Het kan best dat zich in die menigte honderden racisten en opportune sensatiezoekers bevonden. Er zullen mensen te fanatiek gezongen hebben. Er zullen mensen gehuild hebben, zoals ik dat deed, niet zozeer om een man die ze niet persoonlijk kenden maar om de verhalen en omdat er zoveel mensen van hem hielden, op allerlei manieren, en dat ze daar toch maar stonden in een stad die onpersoonlijk aan kan voelen. Er zullen mensen alleen om de geborgenheid hebben gestaan. Er zullen zich mensen opgevroten hebben omdat ze het allemaal een hypocriete bedoening vonden.

En ik maar huilen. Alsof ik thuis ooit een smartlap luister, of ooit een woord gewisseld heb met de burgemeester, of überhaupt in de volle omvang begreep wat hij allemaal deed. Er zijn, ja, een homovlag hijsen, dan heb je me al, een boegbeeld zijn van de stad met de grachten die doorlopen tot in mijn aderen, echt waar, soms hoest ik een fiets op.

Het nieuws vanochtend was onverdraaglijk, net als mijn onwetendheid.

 

 

Normaal

Nu moeten we allemaal normaal doen en omdat dat moet wil ik het niet, ik wil niet normaal doen, probeer te bedenken hoe ik zo abnormaal mogelijk kan zijn.

Maar ik mag alles. Zelfs als ik voortaan mensen van hun fiets schop, voortuintjes verniel, pussies grab of mijn blote reet tegen de voorruit van Rutte duw mag ik blijven. Ik ben wit, Nederlands, vrouw, queer; vandaag zijn die eerste twee zaken een garantie voor mijn veiligheid – ik krijg een diagnose als ik het te bont maak, geen uitzettingsbevel – en die twee laatste bewijslast waar de politiek mee kan zwaaien.
‘Dit is hier normaal,’ zeggen ze: ‘We houden van onze vrouwen en homo’s, als je daar moeite mee hebt rot je maar op.’

Ik wil niet dat er opgerot moet worden, ik wil in gesprek. Ik wil ruzie ik wil discussie ik wil schreeuwen en ik wil tussen de glitternichten op een boot staan, niet voor Den Haag maar voor iedereen die moet wennen aan het bestaan van glitternichten en knipperpotten. In het bestaan bestaat er wrijving. Ik wil geen normaal, ik wil begrip, ik wil meer gutmenschen, ik wil tussen de jongens hangen die te horen krijgen dat ze nergens goed voor zijn en met de meisjes die abnormaal gevonden worden door hun hoofddoek maar dat ben ik niet. Ik ben normaal. Voor mij worden wetten gemaakt, voor mij worden de scherpe hoeken van het bestaan afgerond. Ik kan te pletter vallen, maar op Hollandse rubberen tegels – niet de grens van een land door.

Laat me niet normaal zijn is de arrogantste wens die ik kan hebben, het smeken om leed zodat ik het me toe kan eigenen – brandstof zoeken voor een gevecht (ja, ik wil een gevecht!) zodat ik het ook kan voeren. Zodat mijn uithalen gericht zijn, en niet in het luchtledige uitwaaieren tot er alleen maar van overblijft dat ik het recht heb op het uiten van mijn mening.

Ik wel.

*

Niet de enige

Je veilig voelen, je niet hoeven verdedigen, het niet hoeven uitleggen van wie je bent, een plek waar je nooit – nooit – door een blik of een straat of een sfeer denkt: ik laat de hand van mijn geliefde los. Door op een plek te zijn waar iedereen op net een andere manier anders is en dat dat kleine verschil dat geen verschil zou hoeven maken, niks uitmaakt. Houvast hebben in het idee dat, ondanks het feit dat iedereen uniek wil zijn, je dat niet bent, je bent niet de enige, gelukkig niet. Tuurlijk: ruzie maken, vreemde blikken, nare voorvallen blijven bestaan, maar gewoon omdat je allemaal óók maar een mens bent, en niet omdat je gereduceerd wordt door waar je het liefst je piemel, vingers, tong of ziel en zaligheid in stopt.

Toevallig in Orlando wonen, neergeknald worden om het verschil dat geen verschil zou moeten maken, op een plek die veilig is zoals alle plaatsen dat zouden moeten zijn.

Het Paleis op de Dam in regenboogkleuren om een voorval aan de andere kant van de oceaan, wat goed is, maar cru – ook in de stad die tot een paar jaar geleden bekend stond als gay capital worden mensen neergeslagen en in een hoek gesmeten omdat… ja, waarom, eigenlijk. En neerhoeken is een grootse uiting van iets dat veel kleiner overal is; minigevaartjes, ongemakkelijke stiltes, net iets te lollige grapjes op net het verkeerde moment. Ik weet het heus wel, pure armoe is het hier niet, maar volledige vrijheid evenmin.

‘Waarom laat je ineens mijn hand los,’ vroeg een lief mij een paar jaar geleden.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde ik, ‘automatisch,’ en hij pakte mijn hand weer en even voelde ik me vreselijk ongemakkelijk, we liepen langs een plein vol feestende voetbalsupporters.

‘Ik weet het wel,’ zei ik toen, ‘hier zou ik normaal loslaten als ik even geen zin had in gezeik.’

Hij was mijn eerste vriend, ik had het ook niet aan zien komen. Ik moest heel veel uitleggen aan de mensen om me heen, alwéér, want iedereen was er na honderd jaar net aan gewend dat ik zo iemand was die het met vrouwen deed (‘hoe doen jullie het eigenlijk, mag ik meedoen, ik aaide alleen maar even’). En ik merkte ineens het verschil op straat. Het vasthouden van een hand was niet meer dan dat, geen statement, geen uitzondering. Van de barricades was ik nooit enorm geweest, nu voelde ik ineens allemaal activistische neigingen in me opborrelen maar was ik bang dat het niet meer geloofwaardig zou zijn. Voor de buitenwereld was ik ineens normaal, namelijk, en dan is het een stuk eenvoudiger om roeptoeterend tussen de hooligans door te laveren. Ik had makkelijk praten, bedoel ik, misschien helemaal geen recht van spreken meer.

En dat laatste is natuurlijk onzin; door m’n kop te houden, houd ik op kleine schaal het verschil in stand. Alsof ik, en mensen in dezelfde situatie, inderdaad heel iemand anders worden afhankelijk van de geliefde aan hun hand. Dus ik praat, desnoods te makkelijk, en hoop, en weet, dat ik godzijdank de enige niet ben.

Dit was mijn aller (alleraller)laatste column voor Advalvas