Me too, ik ook

‘Me too’
Social media staan vol met de woorden.
‘Ik ook’
Je plaatst ze als je ooit te maken hebt gehad met seksuele intimidatie of seksueel geweld. Het is een initiatief van Alyssa Milano, Hollywoodactrice, die een anoniem gebleven vriend(in) (fijn, dat neutrale ‘friend’) aanwijst als brein achter het idee.* Als iedereen zich uitspreekt, is de gedachte, wordt de omvang van het probleem zichtbaar.

Me too, ik ook, me too; iedereen die de woorden plaatst kan te maken gehad hebben met een scala aan agressiviteiten. Vies nagefloten worden, keihard verkracht zijn, die twee krijgen met een actie als dit hetzelfde gewicht. Wat inderdaad de omvang van een groot probleem aankaart; het lichaam van vrouwen (vooral vrouwen, maar ook een hoop mannen) dat zomaar beoordeeld, aangeraakt, geseksualiseerd mag worden, ook als de vrouw (ik hou het even bij die vrouwen want ik ben er een) in kwestie gewoon even in haar huispak naar de supermarkt slentert. Ik schrijf dit en schrik er zelf van; als een vrouw danst, of een minirok draagt, of aantrekkelijk lacht of veel tiet laat zien, mag je er ook niet aanzitten zonder toestemming. Ook niet heel even en ook niet als niemand het ziet – er is nooit niemand die het ziet, overigens, want die vrouw heeft waarschijnlijk ook ogen of andere zintuigen waarmee ze merkt dat er iets misgaat en je bent er verdomme zelf ook bij, met je geweten en je mores. Het gaat natuurlijk ook niet alleen maar om ‘aanzitten’. Het gaat ook om naar zo’n vrouw kijken, een vriend (m/v) aanstoten en zeggen: die zal zich wel omhoog geneukt hebben, want als je al tieten hebt kun je niet ook nog hersens hebben.
Enfin, ik dwaal af naar alles wat al duizend keer gezegd is en nog steeds gezegd moet worden.

Even bekroop me de bekrompen gedachte dat die ongewenste fluitjes, die ‘hee lekker wijf’, dat ‘mooie tieten’, zo’n ikookactie enigszins zouden eroderen. Want is dat niet een beetje deel van het dagelijks leven? Moet je daar eigenlijk gewoon effe niet zo over zeiken? Maakt de ‘me too’ van iemand die ‘alleen maar een keer’ een hand op haar kont heeft gevoeld in de metro, die van iemand die in haar eigen bed verkracht is minder waard?

Waarom denk ik zo? Waar ligt dat aan? Hoezo ga ik, De Grote Ik, nu weer beoordelen wie waar last van heeft, hoezo is mijn eerste reactie kritiek? Omdat ik pas ballen heb als ik zeg dat mensen niet moeten zeiken, misschien. Omdat mijn eerste reactie op dit soort initiatieven altijd nogal zuur is. Wat helpt dat nou, denk ik dan. Wat gelijk het antwoord op dezelfde vraag is, trouwens, want dit helpt het, je gaat erover denken, zelfs als je je in dezelfde bubbel (zucht) bevindt als degene die zich uitspreekt.

Wat betreft dat geërodeer: hoe open je ook wenst dat zaken als dit besproken kunnen worden: net als dat je niet zomaar je hand op de kont van een vreemde legt in de metro, kun je niemand dwingen haar hele (pijnlijke, precaire) verhaal te vertellen – al is dat soms de enige manier waarop het voor mensen duidelijk wordt dat het écht is, écht gebeurt, ook bij iemand die ze kennen van werk, school, tv, familiefeestjes. Degenen die wel het lef hebben zo open te zijn mogen wat mij betreft indien ze dat prettig vinden op een ereschild rondgedragen worden, maar wie ben ik, enzovoorts.

Nu doen we ’t met een ‘ik ook’. En de verontrustende gedachte dat daar werkelijk van alles achter kan zitten, ook die dingen die je niet wilt weten, veel vaker dan je denkt, ik ook, ik ook.

*update: Nee, het was Tarana Burke die er aanvankelijk mee kwam. ‘Me too’ als beweging, niet als simpele hashtag.

Postgay

Het is vandaag coming-out dag. Je kunt er een heleboel van vinden, dat er een dag is speciaal gewijd aan het uitkomen voor je geaardheid, je kunt ook gewoon je klep houden en denken: als iemand daar wat aan heeft is het alleen maar goed.

Als ik vroeger dreigde te moeten of willen te vertellen dat ik een vriendin had, voelde het heel even alsof de hele wereld in een rottempo samen gezogen werd in mijn borstkas, zo eng vond ik het. Nare reacties waren het probleem niet eens zo, eerder het feit dat het vaak duidelijk werd dat ik voortaan nog voor ik Roos was, met allerlei goede en slechte eigenschappen, interesses, een grote voorliefde voor kaasfondue, dat soort dingen, toch vooral die ene lesbo was. Maar verzwijgen deed ik het ook niet. Leer het maar, dacht ik vaak, wen er maar aan. Na een tijdje was het allemaal zo eng niet meer natuurlijk, en waren anderen er meer mee bezig dan ik.

Die hele riedel moest opnieuw toen ik ineens een vriend kreeg – paste niet in het plaatje, was het dan allemaal een fase, of is die kerel een fase, ben je nu niet meer lesbisch, ben je nu helemaal hetero, ja Jezus mensen, weet ik veel, zullen we het anders even over de gestegen tarieven voor het openbaar vervoer hebben, of je laatste vakantie?

Iedereen moet de hele tijd geduid worden. Vandaag in Het Parool, over een nieuwe generatie LHBT(QI – enz enz)’ers:

“Sociale wetenschappers noemen hen ‘postgays’. Ze geloven niet in het klassieke onderscheid tussen homo en ­hetero, of zelfs dat tussen man en vrouw. Seksuele identiteit en gender zijn fluïde, vinden ze. Ook willen ze zich niet hoeven verantwoorden voor hun seksuele geaardheid. Hetero’s hoeven hier toch ook niet voor uit te komen, stellen ze.”

Postgays. Ik word al moe als ik zo’n term lees, zie gelijk ook allemaal moeilijke kapsels en broeken in rare lengtes voor me (of postbezorgende nichten, maar oké). Laatst sprak ik iemand die uitriep: ‘is er dan in godsnaam niemand meer gewoon lesbisch?’. Tuurlijk wel, net als dat er een heleboel mensen kneiterhetero zijn of die-hard homo.

Maar ik snap het ook wel weer, dat gepostgay. Je legt het probleem – dat er helemaal niet zou moeten zijn – bij de ander: als jij me niet snapt, moet je daar zelf maar mee dealen, now if you don’t mind, ik ga verder met mijn leven dat uit meer bestaat dan ‘of er wel eens geschaard wordt’.

In het artikel wordt benadrukt dat het gaat om een kleine, geprivilegieerde groep jongeren. Die kunnen dat maken. Daar kun je vol dédain naar kijken. Je kunt ook hopen dat iedereen ooit alles kan maken, dat het ergens moet beginnen.

 

Aan de Amsterdamse grachten

De eerste burgemeester die ik me kan herinneren is Van Thijn. Daar hadden volwassenen het over, over Van Thijn en Gorbatsjov (die vlek!) en Wim Kok. De dingen die ik later wel zou gaan begrijpen – verkiezingen, politiek. Dingen die naarmate je er meer van wilt begrijpen ingewikkelder worden, zo bleek, ik snap er nog steeds niet veel van. Dat klinkt nalatig en dat is het ook; terwijl ik met leeg hoofd politieke berichtgeving probeer te lezen, ben ik ook van mening dat je als weldenkend onderdeel van een democratische samenleving ten minste lichtelijk op de hoogte moet zijn van het hoe & wat. Tegelijkertijd ben ik gemaakt voor zo’n democratische samenleving – met iets te veel vertrouwen ga ik er vanuit dat ze heus wel weten wat ze doen daar, in die torentjes en ambtswoningen. Dat het allemaal niet zo zwart-wit is.

Toen zich een menigte verzamelde onder de burgemeesterswoning was ik thuis, later keek ik er een filmpje van (het zal eens niet, ik ben altijd thuis en kijk altijd de filmpjes), waar ik over wilde vertellen aan mijn moeder maar ik moest huilen. Omdat ik erg van de stad hou en omdat sentimenteel zingende menigtes een gezapig snaartje raken en omdat het ook nog een smartlap was; ik herinner me de keer dat ik door de Jordaan liep en op een smartlappenkoor stuitte, iedereen stond er in een kleine kring omheen en iedereen wiegde mee en had tranen in zijn ogen, ik ook, ‘goddomme zeg,’ zei een man toen het klaar was en ik zei ‘ja goddomme, allemachtig.’

Het kan best dat zich in die menigte honderden racisten en opportune sensatiezoekers bevonden. Er zullen mensen te fanatiek gezongen hebben. Er zullen mensen gehuild hebben, zoals ik dat deed, niet zozeer om een man die ze niet persoonlijk kenden maar om de verhalen en omdat er zoveel mensen van hem hielden, op allerlei manieren, en dat ze daar toch maar stonden in een stad die onpersoonlijk aan kan voelen. Er zullen mensen alleen om de geborgenheid hebben gestaan. Er zullen zich mensen opgevroten hebben omdat ze het allemaal een hypocriete bedoening vonden.

En ik maar huilen. Alsof ik thuis ooit een smartlap luister, of ooit een woord gewisseld heb met de burgemeester, of überhaupt in de volle omvang begreep wat hij allemaal deed. Er zijn, ja, een homovlag hijsen, dan heb je me al, een boegbeeld zijn van de stad met de grachten die doorlopen tot in mijn aderen, echt waar, soms hoest ik een fiets op.

Het nieuws vanochtend was onverdraaglijk, net als mijn onwetendheid.

 

 

Normaal

Nu moeten we allemaal normaal doen en omdat dat moet wil ik het niet, ik wil niet normaal doen, probeer te bedenken hoe ik zo abnormaal mogelijk kan zijn.

Maar ik mag alles. Zelfs als ik voortaan mensen van hun fiets schop, voortuintjes verniel, pussies grab of mijn blote reet tegen de voorruit van Rutte duw mag ik blijven. Ik ben wit, Nederlands, vrouw, queer; vandaag zijn die eerste twee zaken een garantie voor mijn veiligheid – ik krijg een diagnose als ik het te bont maak, geen uitzettingsbevel – en die twee laatste bewijslast waar de politiek mee kan zwaaien.
‘Dit is hier normaal,’ zeggen ze: ‘We houden van onze vrouwen en homo’s, als je daar moeite mee hebt rot je maar op.’

Ik wil niet dat er opgerot moet worden, ik wil in gesprek. Ik wil ruzie ik wil discussie ik wil schreeuwen en ik wil tussen de glitternichten op een boot staan, niet voor Den Haag maar voor iedereen die moet wennen aan het bestaan van glitternichten en knipperpotten. In het bestaan bestaat er wrijving. Ik wil geen normaal, ik wil begrip, ik wil meer gutmenschen, ik wil tussen de jongens hangen die te horen krijgen dat ze nergens goed voor zijn en met de meisjes die abnormaal gevonden worden door hun hoofddoek maar dat ben ik niet. Ik ben normaal. Voor mij worden wetten gemaakt, voor mij worden de scherpe hoeken van het bestaan afgerond. Ik kan te pletter vallen, maar op Hollandse rubberen tegels – niet de grens van een land door.

Laat me niet normaal zijn is de arrogantste wens die ik kan hebben, het smeken om leed zodat ik het me toe kan eigenen – brandstof zoeken voor een gevecht (ja, ik wil een gevecht!) zodat ik het ook kan voeren. Zodat mijn uithalen gericht zijn, en niet in het luchtledige uitwaaieren tot er alleen maar van overblijft dat ik het recht heb op het uiten van mijn mening.

Ik wel.

*

Niet de enige

Je veilig voelen, je niet hoeven verdedigen, het niet hoeven uitleggen van wie je bent, een plek waar je nooit – nooit – door een blik of een straat of een sfeer denkt: ik laat de hand van mijn geliefde los. Door op een plek te zijn waar iedereen op net een andere manier anders is en dat dat kleine verschil dat geen verschil zou hoeven maken, niks uitmaakt. Houvast hebben in het idee dat, ondanks het feit dat iedereen uniek wil zijn, je dat niet bent, je bent niet de enige, gelukkig niet. Tuurlijk: ruzie maken, vreemde blikken, nare voorvallen blijven bestaan, maar gewoon omdat je allemaal óók maar een mens bent, en niet omdat je gereduceerd wordt door waar je het liefst je piemel, vingers, tong of ziel en zaligheid in stopt.

Toevallig in Orlando wonen, neergeknald worden om het verschil dat geen verschil zou moeten maken, op een plek die veilig is zoals alle plaatsen dat zouden moeten zijn.

Het Paleis op de Dam in regenboogkleuren om een voorval aan de andere kant van de oceaan, wat goed is, maar cru – ook in de stad die tot een paar jaar geleden bekend stond als gay capital worden mensen neergeslagen en in een hoek gesmeten omdat… ja, waarom, eigenlijk. En neerhoeken is een grootse uiting van iets dat veel kleiner overal is; minigevaartjes, ongemakkelijke stiltes, net iets te lollige grapjes op net het verkeerde moment. Ik weet het heus wel, pure armoe is het hier niet, maar volledige vrijheid evenmin.

‘Waarom laat je ineens mijn hand los,’ vroeg een lief mij een paar jaar geleden.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde ik, ‘automatisch,’ en hij pakte mijn hand weer en even voelde ik me vreselijk ongemakkelijk, we liepen langs een plein vol feestende voetbalsupporters.

‘Ik weet het wel,’ zei ik toen, ‘hier zou ik normaal loslaten als ik even geen zin had in gezeik.’

Hij was mijn eerste vriend, ik had het ook niet aan zien komen. Ik moest heel veel uitleggen aan de mensen om me heen, alwéér, want iedereen was er na honderd jaar net aan gewend dat ik zo iemand was die het met vrouwen deed (‘hoe doen jullie het eigenlijk, mag ik meedoen, ik aaide alleen maar even’). En ik merkte ineens het verschil op straat. Het vasthouden van een hand was niet meer dan dat, geen statement, geen uitzondering. Van de barricades was ik nooit enorm geweest, nu voelde ik ineens allemaal activistische neigingen in me opborrelen maar was ik bang dat het niet meer geloofwaardig zou zijn. Voor de buitenwereld was ik ineens normaal, namelijk, en dan is het een stuk eenvoudiger om roeptoeterend tussen de hooligans door te laveren. Ik had makkelijk praten, bedoel ik, misschien helemaal geen recht van spreken meer.

En dat laatste is natuurlijk onzin; door m’n kop te houden, houd ik op kleine schaal het verschil in stand. Alsof ik, en mensen in dezelfde situatie, inderdaad heel iemand anders worden afhankelijk van de geliefde aan hun hand. Dus ik praat, desnoods te makkelijk, en hoop, en weet, dat ik godzijdank de enige niet ben.

Dit was mijn aller (alleraller)laatste column voor Advalvas

Seks

Een lezing die ik zou geven over mijn roman werd afgezegd door de organisator.
‘Er zit te veel seks in,’ zei ze, ‘ik denk dat ons publiek dat niet erg waardeert.’
De lezing zou voornamelijk gaan over de slaperige Duitse stad waar Onheilig zich deels afspeelt, in het kader van de Boekenweek. Hoewel ik de organisator geen kwaad hart toedroeg, het ging allemaal nogal knullig, moest ik wel heel erg lachen. ‘Dat ik dit nog mee mag maken,’ grapte ik op social media.

Mijn grap ontplofte in mijn eigen gezicht. Drie dagen lang kreeg ik e-mails en telefoontjes. Kranten, radio, boekhandels. Wilde ik langskomen, om over mijn seksboek te praten? Was het een idee als ik de organisator van de lezing verontwaardigd toesprak? Van een lokale omroep waart nog altijd het bericht rond dat ik een pornografische lezing ging geven. Harde (jaha) bewijzen heb ik niet, maar ik vermoed dat het feit dat ik een vrouw in vruchtbare leeftijd ben iets met de ophef te maken had.

‘Ik wil graag langskomen,’ vertelde ik iedereen, ‘maar niet om een boekhandel te bashen.’
Dat was jammer. Daar ging de rel.
‘Bovendien,’ voegde ik naar waarheid toe, ‘heb ik geen erotische roman geschreven. Ik weet dat het een kwestie van interpretatie is, maar ik durf te zeggen dat niemand die het boek las er op die manier over na heeft gedacht. Of nou ja, bijna niemand dus.’

Aan de andere kant van lijn en scherm klonk twijfel en teleurstelling. Om niet al mijn eigen ruiten in te gooien, voegde ik een onvervalst stukje opscheppen, ballen en sterren incluis, aan mijn betoog toe:
‘Dat betekent niet dat er geen interessante dingen te zeggen zijn over die roman. Hij is goed ontvangen, vier sterren in de Volkskrant, vier ballen in NRC…‘

Maar waar was die seks dan, hijgde men. Zelf had ik daar even over moeten peinzen, na dat eerste, fatale telefoontje. Waarschijnlijk ging het om een korte passage, waarin één van de hoofdpersonages, een vrouw van tegen de zestig, niet zonder enige genoegdoening aan haar stervensbegeleider schrijft dat ze graag naar porno kijkt.

‘Je hoort nog van ons,’ hoorde ik, en daarna bleef het stil. Naar ik hoop omdat iedereen mijn roman aan het lezen is, wellicht vruchteloos met de broek op de enkels, maar toch.

Voor die nog niet aan het hele boek toe is gekomen, hieronder het gewraakte hoofdstuk. Ik kom hier, alsook over de rest van de roman, met liefde iets over zeggen. Ik trek m’n spannendste pakje aan.

Jacoba,

Het is bijzonder dat alles nog lijkt te werken, behalve dat ik af en toe verschrikkelijk moe ben, of een beetje kortademig, soms zeurt er iets in mijn bekken. Ik kan nog klaarkomen. Ik schrijf dit op en voel me direct smerig, daarom zeg ik het niet als ik bij je ben. Je zult vreemdere dingen horen, daar niet van, maar ergens dringt het beeld van mijn oude tantes op familiedagen zich aan me op, dames met kant langs hun lellende halzen en lippenstift in de plooien rond hun mond, vlekken van de rode wijn op hun tanden, een adem die ruikt naar douchegordijn en alcohol. Vieze grapjes die pas afschuwelijk worden bij gratie van de gore lach die erachteraan knarst. Jij hebt appelwangen en drie frisse kinderen.

Je vraagt hoe het gaat met schrijven en ik zeg: dat gaat goed. Dan praten we over praktische zaken zoals: wanneer regel je je eigen crematie?
Jij ziet eruit als een christen, maar ik wil je niet naar je God vragen.

De laatste keer dat ik seks heb gehad zal voorgoed de laatste keer zijn en het was net zo ongeïnspireerd als de eerste keer, maar dan in de wetenschap dat het beter kan. Mijn eerste en enige internetdate, een tip van Leendert. Een site voor hoogopgeleiden. Ik loog: kunstgeschiedenis. Gebruikte een foto van mezelf en niet van een jonge blom, zoals Leendert suggereerde, ik was het met een mooie rode jurk aan en haar tot mijn borsten, die verdomde borsten. Die foto maakte mijn zus op een dag vol zon, we aten koude pannenkoeken aan de Amstel, maar dat zette ik er niet bij.

We dronken wijn en bier en aten op Gerards initiatief in een restaurant aan het Museumplein, vlak bij de kunst waar we allebei niet over spraken, leugenaars, we neukten bij mij.
Ik veranderde mijn e-mailadres en mijn telefoonnummer en was als de dood dat hij op een dag onder mijn raam zou staan en ik was beledigd toen dat niet zo was.

De ziekte was er nog niet. Als ik had geweten dat-ie eraan kwam had ik het nog tien keer gedaan, met tien verschillende mannen en minstens één vrouw, al dan niet tegelijkertijd. Waar was ik mee bezig toen ik jong was? Niet met de juiste dingen, dunkt me, ik dacht: het komt nog wel. Die baan. Die twee mannen tegelijk. Die vrouw. Ook toen stond ik al voor een open raam rook langs mijn gezicht te blazen, zoals ze in films doen. ‘Je had ballerina moeten worden,’ zei Alfons; hij vond mijn houding mooi, mijn silhouet tegen de zon, in dat raam. Voor ballerina was het zelfs toen al te laat. Bovendien kan er net een walsje vanaf bij mij, mijn ware talent is klaarblijkelijk dat raam.

Ik kijk in bed naar porno en probeer niet aan mijn botten, longen, borsten, ingewanden te denken. Zo nat als vroeger word ik niet meer, als je dat wilt weten, Jacoba, jij zit nog in je vruchtbare jaren, dan gaat het anders. Het lekt niet meer mijn broekje door, de lakens in, maar het glijdt genoeg. De filmpjes waarin je ziet dat de vrouw nat is zijn het best, daar kun je tegenwoordig gewoon naar zoeken.
Vroeger was het leven overzichtelijker en rustiger – zonder internet, honderd tv-zenders, mobieltjes – maar terug zou ik niet willen.

Onzichtbaar, als helder water.

De bange man mocht in de krant uitleggen dat hij groot en sterk was. Hij wilde niet de enige zijn die bang was, die als hij op straat liep en zijn eigen omgeving ontwend was het zweet in zijn bilnaad voelde lopen. De dingen ontwennen zo snel. Hij dacht heel kort, zonder dat de herinnering zich aankondigde, aan zijn schooltijd en de dagen dat er een vreemdeling voor de klas stond omdat zijn eigen leerkracht ziek was. Ze roken anders, die invallers, ze hadden een andere leeftijd en een andere stem en kort in plaats van lang haar of lang in plaats van kort. Ze zongen andere liedjes met de kinderen. Op die dagen leek het net alsof hij er zelf eigenlijk niet was. Pas als hij thuiskwam, naar de bekende meubels keek, de vertrouwde luchtjes rook, pas als hij met zijn handen over de muren die hij kon dromen gleed, was hij er weer. Soms, als een leerkracht langer ziek was, of in het buitenland wegens het overlijden van een familielid, werd hij zelf ook ziek.

Natuurlijk is hij veranderd, volwassen geworden. Een kleine jongen is hij niet meer – hij is iemand die zich heeft ontwikkeld, dat is weinigen gegeven. Hij dacht ook iets over rupsen en vlinders maar slikte die gedachte direct weer in, probeerde hem te ontdenken – een simpel man is hij namelijk ook niet. En: geen man van concessies.

Hij schreef dat woord op. Concessies. Concessies zijn is iets voor weekdieren en niet voor mensen die afstammen van een volk dat de wereldzeeën heeft bedwongen. Je moet je niet naar andermans wil schikken, dacht die bange kerel voor hij uit mocht leggen dat hij groot en sterk was, andere mensen moeten zich naar jouw wil schikken. Hoe kan het ook anders, als je gelijk hebt? Duidelijk zijn, tegen iedereen, anders leren ze het nooit. Anders word je gepakt. Het is overleven. Als je naar buiten gaat om boodschappen te doen en iemand draalt voor je voeten: overleven. Als een vreemde je de weg vraagt: overleven. Als je favoriete restaurant een nieuwe eigenaar krijgt: overleven. Hij miste nog steeds die vrouw – hoe heette ze nou – die zwanen en lotussen vouwde van de dikke servetten.

Hij kamde zijn haar naar achter en duwde zijn onderkaak een beetje naar voren.
Sluipenderwijs, dacht de bange man. Sluipenderwijs wordt alles maar anders; je merkt het niet maar ineens sta je onder de douche en zie je een zwarte plek op de tegelmuur. Schimmel die er eerst niet zat maar heel erg langzaam, ja, sluipenderwijs is ontstaan. En dan is er geen beginnen meer aan. Dan moet je uiteindelijk die tegels vervangen en wennen aan een nieuwe kleur, want die specifieke tint oranje krijg je nergens meer. En de man die de badkamer de vorige keer betegelde is met pensioen. Niet relaxed, echt helemaal niet relaxed.

‘Ze willen me pákken,’ zei hij tegen zijn handen en hij wist niet precies over wie hij het allemaal had. Badkamermannetjes, restauranteigenaars, mannen met gewaden aan, invalleerkrachten, mensen met verwerpelijke ideetjes, waar ze verder niet zoveel aan kunnen doen want zo zijn ze nu eenmaal geboren. Maar lieve hemel, denk aan de kinderen en mensen met een laag opleidingsniveau! Onze vrouwen!

Weg, moeten ze. Maar wegvagen met harde middelen, zoals met van die mieren die in de zomer gaan vliegen en damherten in de Waterleidingduinen, dat kan natuurlijk niet. De bange man die mocht uitleggen dat hij groot en sterk was huiverde even. Het enige alternatief voor weg, concludeerde hij in de tevreden stilte voor hij mocht spreken, is onzichtbaar. Precies hetzelfde worden als wat er al was maar dan misschien iets kleiner, zoals een duif die achter een andere, sterkere duif staat maar die iets ieler is en dat je hem dus niet ziet. Dat je pas als je er langs loopt denkt: verrek, het zijn er twéé. Schaduwduiven, mijmerde hij.
Onzichtbaar als de wind en het helderste water.

Hij controleerde of er geen tuinkers tussen zijn tanden zat en dacht aan alle tijden waarin hij had geleefd en alle tijden die hij kende uit geschiedenisboeken en alle tijden die hij zich voor kon stellen en ja, het was echt waar: beter dan nu, dan dit, dit precieze moment van rijkdom en beschaving – precies deze beschaving – en tolerantie, beter kon het niet. Echt niet. Hij wist dat het niet chic was, maar toch dacht hij met warmte aan de dankbaarheid van toekomstige generaties. Geen dank, wilde hij zeggen, maar dat zou niet hoeven, want ze zouden hem volledig begrijpen. Hij zou niks uit hoeven leggen, nooit.
Hij rechtte zijn rug.

10 februari: boekpresentatie ‘Onheilig’

Op 10 februari, om 19:30 (inloop vanaf 19:00 uur) wordt te Boekhandel Van Rossum (Amsterdam) mijn roman Onheilig gepresenteerd. Toegang is gratis, maar het is raadzaam te reserveren via winkel@boekhandelvanrossum.nl.

Voor meer info zie hier.

—–

Miguel heeft zijn moeder al twee jaar niet gezien – en hij geniet van de rust. Zijn nieuwe leven in een slaperig Duits stadje bevalt hem uitstekend. Maar wanneer hij hoort dat zijn moeder ernstig ziek is, kan hij niet anders dan contact zoeken. Al heeft hij zijn handen al vol aan Jorge, een simpele jongen die tot Miguels vreugde en frustratie nooit van zijn zijde wijkt.
De therapeut van Miguels moeder heeft haar intussen opgedragen een dagboek bij te houden. Dit blijkt precies de uitlaatklep die ze nodig heeft: scherp fileert ze niet alleen zichzelf en de therapeut, maar ook iedereen die een rol heeft gespeeld in haar leven.