Normaal

Nu moeten we allemaal normaal doen en omdat dat moet wil ik het niet, ik wil niet normaal doen, probeer te bedenken hoe ik zo abnormaal mogelijk kan zijn.

Maar ik mag alles. Zelfs als ik voortaan mensen van hun fiets schop, voortuintjes verniel, pussies grab of mijn blote reet tegen de voorruit van Rutte duw mag ik blijven. Ik ben wit, Nederlands, vrouw, queer; vandaag zijn die eerste twee zaken een garantie voor mijn veiligheid – ik krijg een diagnose als ik het te bont maak, geen uitzettingsbevel – en die twee laatste bewijslast waar de politiek mee kan zwaaien.
‘Dit is hier normaal,’ zeggen ze: ‘We houden van onze vrouwen en homo’s, als je daar moeite mee hebt rot je maar op.’

Ik wil niet dat er opgerot moet worden, ik wil in gesprek. Ik wil ruzie ik wil discussie ik wil schreeuwen en ik wil tussen de glitternichten op een boot staan, niet voor Den Haag maar voor iedereen die moet wennen aan het bestaan van glitternichten en knipperpotten. In het bestaan bestaat er wrijving. Ik wil geen normaal, ik wil begrip, ik wil meer gutmenschen, ik wil tussen de jongens hangen die te horen krijgen dat ze nergens goed voor zijn en met de meisjes die abnormaal gevonden worden door hun hoofddoek maar dat ben ik niet. Ik ben normaal. Voor mij worden wetten gemaakt, voor mij worden de scherpe hoeken van het bestaan afgerond. Ik kan te pletter vallen, maar op Hollandse rubberen tegels – niet de grens van een land door.

Laat me niet normaal zijn is de arrogantste wens die ik kan hebben, het smeken om leed zodat ik het me toe kan eigenen – brandstof zoeken voor een gevecht (ja, ik wil een gevecht!) zodat ik het ook kan voeren. Zodat mijn uithalen gericht zijn, en niet in het luchtledige uitwaaieren tot er alleen maar van overblijft dat ik het recht heb op het uiten van mijn mening.

Ik wel.

*

Niet de enige

Je veilig voelen, je niet hoeven verdedigen, het niet hoeven uitleggen van wie je bent, een plek waar je nooit – nooit – door een blik of een straat of een sfeer denkt: ik laat de hand van mijn geliefde los. Door op een plek te zijn waar iedereen op net een andere manier anders is en dat dat kleine verschil dat geen verschil zou hoeven maken, niks uitmaakt. Houvast hebben in het idee dat, ondanks het feit dat iedereen uniek wil zijn, je dat niet bent, je bent niet de enige, gelukkig niet. Tuurlijk: ruzie maken, vreemde blikken, nare voorvallen blijven bestaan, maar gewoon omdat je allemaal óók maar een mens bent, en niet omdat je gereduceerd wordt door waar je het liefst je piemel, vingers, tong of ziel en zaligheid in stopt.

Toevallig in Orlando wonen, neergeknald worden om het verschil dat geen verschil zou moeten maken, op een plek die veilig is zoals alle plaatsen dat zouden moeten zijn.

Het Paleis op de Dam in regenboogkleuren om een voorval aan de andere kant van de oceaan, wat goed is, maar cru – ook in de stad die tot een paar jaar geleden bekend stond als gay capital worden mensen neergeslagen en in een hoek gesmeten omdat… ja, waarom, eigenlijk. En neerhoeken is een grootse uiting van iets dat veel kleiner overal is; minigevaartjes, ongemakkelijke stiltes, net iets te lollige grapjes op net het verkeerde moment. Ik weet het heus wel, pure armoe is het hier niet, maar volledige vrijheid evenmin.

‘Waarom laat je ineens mijn hand los,’ vroeg een lief mij een paar jaar geleden.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde ik, ‘automatisch,’ en hij pakte mijn hand weer en even voelde ik me vreselijk ongemakkelijk, we liepen langs een plein vol feestende voetbalsupporters.

‘Ik weet het wel,’ zei ik toen, ‘hier zou ik normaal loslaten als ik even geen zin had in gezeik.’

Hij was mijn eerste vriend, ik had het ook niet aan zien komen. Ik moest heel veel uitleggen aan de mensen om me heen, alwéér, want iedereen was er na honderd jaar net aan gewend dat ik zo iemand was die het met vrouwen deed (‘hoe doen jullie het eigenlijk, mag ik meedoen, ik aaide alleen maar even’). En ik merkte ineens het verschil op straat. Het vasthouden van een hand was niet meer dan dat, geen statement, geen uitzondering. Van de barricades was ik nooit enorm geweest, nu voelde ik ineens allemaal activistische neigingen in me opborrelen maar was ik bang dat het niet meer geloofwaardig zou zijn. Voor de buitenwereld was ik ineens normaal, namelijk, en dan is het een stuk eenvoudiger om roeptoeterend tussen de hooligans door te laveren. Ik had makkelijk praten, bedoel ik, misschien helemaal geen recht van spreken meer.

En dat laatste is natuurlijk onzin; door m’n kop te houden, houd ik op kleine schaal het verschil in stand. Alsof ik, en mensen in dezelfde situatie, inderdaad heel iemand anders worden afhankelijk van de geliefde aan hun hand. Dus ik praat, desnoods te makkelijk, en hoop, en weet, dat ik godzijdank de enige niet ben.

Dit was mijn aller (alleraller)laatste column voor Advalvas

Seks

Een lezing die ik zou geven over mijn roman werd afgezegd door de organisator.
‘Er zit te veel seks in,’ zei ze, ‘ik denk dat ons publiek dat niet erg waardeert.’
De lezing zou voornamelijk gaan over de slaperige Duitse stad waar Onheilig zich deels afspeelt, in het kader van de Boekenweek. Hoewel ik de organisator geen kwaad hart toedroeg, het ging allemaal nogal knullig, moest ik wel heel erg lachen. ‘Dat ik dit nog mee mag maken,’ grapte ik op social media.

Mijn grap ontplofte in mijn eigen gezicht. Drie dagen lang kreeg ik e-mails en telefoontjes. Kranten, radio, boekhandels. Wilde ik langskomen, om over mijn seksboek te praten? Was het een idee als ik de organisator van de lezing verontwaardigd toesprak? Van een lokale omroep waart nog altijd het bericht rond dat ik een pornografische lezing ging geven. Harde (jaha) bewijzen heb ik niet, maar ik vermoed dat het feit dat ik een vrouw in vruchtbare leeftijd ben iets met de ophef te maken had.

‘Ik wil graag langskomen,’ vertelde ik iedereen, ‘maar niet om een boekhandel te bashen.’
Dat was jammer. Daar ging de rel.
‘Bovendien,’ voegde ik naar waarheid toe, ‘heb ik geen erotische roman geschreven. Ik weet dat het een kwestie van interpretatie is, maar ik durf te zeggen dat niemand die het boek las er op die manier over na heeft gedacht. Of nou ja, bijna niemand dus.’

Aan de andere kant van lijn en scherm klonk twijfel en teleurstelling. Om niet al mijn eigen ruiten in te gooien, voegde ik een onvervalst stukje opscheppen, ballen en sterren incluis, aan mijn betoog toe:
‘Dat betekent niet dat er geen interessante dingen te zeggen zijn over die roman. Hij is goed ontvangen, vier sterren in de Volkskrant, vier ballen in NRC…‘

Maar waar was die seks dan, hijgde men. Zelf had ik daar even over moeten peinzen, na dat eerste, fatale telefoontje. Waarschijnlijk ging het om een korte passage, waarin één van de hoofdpersonages, een vrouw van tegen de zestig, niet zonder enige genoegdoening aan haar stervensbegeleider schrijft dat ze graag naar porno kijkt.

‘Je hoort nog van ons,’ hoorde ik, en daarna bleef het stil. Naar ik hoop omdat iedereen mijn roman aan het lezen is, wellicht vruchteloos met de broek op de enkels, maar toch.

Voor die nog niet aan het hele boek toe is gekomen, hieronder het gewraakte hoofdstuk. Ik kom hier, alsook over de rest van de roman, met liefde iets over zeggen. Ik trek m’n spannendste pakje aan.

Jacoba,

Het is bijzonder dat alles nog lijkt te werken, behalve dat ik af en toe verschrikkelijk moe ben, of een beetje kortademig, soms zeurt er iets in mijn bekken. Ik kan nog klaarkomen. Ik schrijf dit op en voel me direct smerig, daarom zeg ik het niet als ik bij je ben. Je zult vreemdere dingen horen, daar niet van, maar ergens dringt het beeld van mijn oude tantes op familiedagen zich aan me op, dames met kant langs hun lellende halzen en lippenstift in de plooien rond hun mond, vlekken van de rode wijn op hun tanden, een adem die ruikt naar douchegordijn en alcohol. Vieze grapjes die pas afschuwelijk worden bij gratie van de gore lach die erachteraan knarst. Jij hebt appelwangen en drie frisse kinderen.

Je vraagt hoe het gaat met schrijven en ik zeg: dat gaat goed. Dan praten we over praktische zaken zoals: wanneer regel je je eigen crematie?
Jij ziet eruit als een christen, maar ik wil je niet naar je God vragen.

De laatste keer dat ik seks heb gehad zal voorgoed de laatste keer zijn en het was net zo ongeïnspireerd als de eerste keer, maar dan in de wetenschap dat het beter kan. Mijn eerste en enige internetdate, een tip van Leendert. Een site voor hoogopgeleiden. Ik loog: kunstgeschiedenis. Gebruikte een foto van mezelf en niet van een jonge blom, zoals Leendert suggereerde, ik was het met een mooie rode jurk aan en haar tot mijn borsten, die verdomde borsten. Die foto maakte mijn zus op een dag vol zon, we aten koude pannenkoeken aan de Amstel, maar dat zette ik er niet bij.

We dronken wijn en bier en aten op Gerards initiatief in een restaurant aan het Museumplein, vlak bij de kunst waar we allebei niet over spraken, leugenaars, we neukten bij mij.
Ik veranderde mijn e-mailadres en mijn telefoonnummer en was als de dood dat hij op een dag onder mijn raam zou staan en ik was beledigd toen dat niet zo was.

De ziekte was er nog niet. Als ik had geweten dat-ie eraan kwam had ik het nog tien keer gedaan, met tien verschillende mannen en minstens één vrouw, al dan niet tegelijkertijd. Waar was ik mee bezig toen ik jong was? Niet met de juiste dingen, dunkt me, ik dacht: het komt nog wel. Die baan. Die twee mannen tegelijk. Die vrouw. Ook toen stond ik al voor een open raam rook langs mijn gezicht te blazen, zoals ze in films doen. ‘Je had ballerina moeten worden,’ zei Alfons; hij vond mijn houding mooi, mijn silhouet tegen de zon, in dat raam. Voor ballerina was het zelfs toen al te laat. Bovendien kan er net een walsje vanaf bij mij, mijn ware talent is klaarblijkelijk dat raam.

Ik kijk in bed naar porno en probeer niet aan mijn botten, longen, borsten, ingewanden te denken. Zo nat als vroeger word ik niet meer, als je dat wilt weten, Jacoba, jij zit nog in je vruchtbare jaren, dan gaat het anders. Het lekt niet meer mijn broekje door, de lakens in, maar het glijdt genoeg. De filmpjes waarin je ziet dat de vrouw nat is zijn het best, daar kun je tegenwoordig gewoon naar zoeken.
Vroeger was het leven overzichtelijker en rustiger – zonder internet, honderd tv-zenders, mobieltjes – maar terug zou ik niet willen.

Onzichtbaar, als helder water.

De bange man mocht in de krant uitleggen dat hij groot en sterk was. Hij wilde niet de enige zijn die bang was, die als hij op straat liep en zijn eigen omgeving ontwend was het zweet in zijn bilnaad voelde lopen. De dingen ontwennen zo snel. Hij dacht heel kort, zonder dat de herinnering zich aankondigde, aan zijn schooltijd en de dagen dat er een vreemdeling voor de klas stond omdat zijn eigen leerkracht ziek was. Ze roken anders, die invallers, ze hadden een andere leeftijd en een andere stem en kort in plaats van lang haar of lang in plaats van kort. Ze zongen andere liedjes met de kinderen. Op die dagen leek het net alsof hij er zelf eigenlijk niet was. Pas als hij thuiskwam, naar de bekende meubels keek, de vertrouwde luchtjes rook, pas als hij met zijn handen over de muren die hij kon dromen gleed, was hij er weer. Soms, als een leerkracht langer ziek was, of in het buitenland wegens het overlijden van een familielid, werd hij zelf ook ziek.

Natuurlijk is hij veranderd, volwassen geworden. Een kleine jongen is hij niet meer – hij is iemand die zich heeft ontwikkeld, dat is weinigen gegeven. Hij dacht ook iets over rupsen en vlinders maar slikte die gedachte direct weer in, probeerde hem te ontdenken – een simpel man is hij namelijk ook niet. En: geen man van concessies.

Hij schreef dat woord op. Concessies. Concessies zijn is iets voor weekdieren en niet voor mensen die afstammen van een volk dat de wereldzeeën heeft bedwongen. Je moet je niet naar andermans wil schikken, dacht die bange kerel voor hij uit mocht leggen dat hij groot en sterk was, andere mensen moeten zich naar jouw wil schikken. Hoe kan het ook anders, als je gelijk hebt? Duidelijk zijn, tegen iedereen, anders leren ze het nooit. Anders word je gepakt. Het is overleven. Als je naar buiten gaat om boodschappen te doen en iemand draalt voor je voeten: overleven. Als een vreemde je de weg vraagt: overleven. Als je favoriete restaurant een nieuwe eigenaar krijgt: overleven. Hij miste nog steeds die vrouw – hoe heette ze nou – die zwanen en lotussen vouwde van de dikke servetten.

Hij kamde zijn haar naar achter en duwde zijn onderkaak een beetje naar voren.
Sluipenderwijs, dacht de bange man. Sluipenderwijs wordt alles maar anders; je merkt het niet maar ineens sta je onder de douche en zie je een zwarte plek op de tegelmuur. Schimmel die er eerst niet zat maar heel erg langzaam, ja, sluipenderwijs is ontstaan. En dan is er geen beginnen meer aan. Dan moet je uiteindelijk die tegels vervangen en wennen aan een nieuwe kleur, want die specifieke tint oranje krijg je nergens meer. En de man die de badkamer de vorige keer betegelde is met pensioen. Niet relaxed, echt helemaal niet relaxed.

‘Ze willen me pákken,’ zei hij tegen zijn handen en hij wist niet precies over wie hij het allemaal had. Badkamermannetjes, restauranteigenaars, mannen met gewaden aan, invalleerkrachten, mensen met verwerpelijke ideetjes, waar ze verder niet zoveel aan kunnen doen want zo zijn ze nu eenmaal geboren. Maar lieve hemel, denk aan de kinderen en mensen met een laag opleidingsniveau! Onze vrouwen!

Weg, moeten ze. Maar wegvagen met harde middelen, zoals met van die mieren die in de zomer gaan vliegen en damherten in de Waterleidingduinen, dat kan natuurlijk niet. De bange man die mocht uitleggen dat hij groot en sterk was huiverde even. Het enige alternatief voor weg, concludeerde hij in de tevreden stilte voor hij mocht spreken, is onzichtbaar. Precies hetzelfde worden als wat er al was maar dan misschien iets kleiner, zoals een duif die achter een andere, sterkere duif staat maar die iets ieler is en dat je hem dus niet ziet. Dat je pas als je er langs loopt denkt: verrek, het zijn er twéé. Schaduwduiven, mijmerde hij.
Onzichtbaar als de wind en het helderste water.

Hij controleerde of er geen tuinkers tussen zijn tanden zat en dacht aan alle tijden waarin hij had geleefd en alle tijden die hij kende uit geschiedenisboeken en alle tijden die hij zich voor kon stellen en ja, het was echt waar: beter dan nu, dan dit, dit precieze moment van rijkdom en beschaving – precies deze beschaving – en tolerantie, beter kon het niet. Echt niet. Hij wist dat het niet chic was, maar toch dacht hij met warmte aan de dankbaarheid van toekomstige generaties. Geen dank, wilde hij zeggen, maar dat zou niet hoeven, want ze zouden hem volledig begrijpen. Hij zou niks uit hoeven leggen, nooit.
Hij rechtte zijn rug.

10 februari: boekpresentatie ‘Onheilig’

Op 10 februari, om 19:30 (inloop vanaf 19:00 uur) wordt te Boekhandel Van Rossum (Amsterdam) mijn roman Onheilig gepresenteerd. Toegang is gratis, maar het is raadzaam te reserveren via winkel@boekhandelvanrossum.nl.

Voor meer info zie hier.

—–

Miguel heeft zijn moeder al twee jaar niet gezien – en hij geniet van de rust. Zijn nieuwe leven in een slaperig Duits stadje bevalt hem uitstekend. Maar wanneer hij hoort dat zijn moeder ernstig ziek is, kan hij niet anders dan contact zoeken. Al heeft hij zijn handen al vol aan Jorge, een simpele jongen die tot Miguels vreugde en frustratie nooit van zijn zijde wijkt.
De therapeut van Miguels moeder heeft haar intussen opgedragen een dagboek bij te houden. Dit blijkt precies de uitlaatklep die ze nodig heeft: scherp fileert ze niet alleen zichzelf en de therapeut, maar ook iedereen die een rol heeft gespeeld in haar leven.

 

Omdat we mensen zijn

Er is een hoop die altijd ergens rond de rafelrandjes van mijn geweten sluimert; de kinderachtige wens dat iemand tegen me zegt dat alles goed komt, en dat dat waar is, zoals mijn oma vroeger gelijk had wanneer ze zei dat een schaafwond op mijn knie vanzelf weer dicht zou groeien.

We keken tv en Twitter en Facebook en liveblogs van alle kranten die we konden vinden want Parijs ontplofte op diverse plaatsen en iemand, iemand zou toch goed nieuws moeten brengen.
Nieuws zo goed dat het de doden uitwist bestaat niet, bestond niet, dat wisten we en toch hoopten we omdat we mensen zijn.

En omdat we mensen zijn waren we bang en stil en omdat iedereen ook maar een mens is waren er ook bij die kwaad werden. Woede om de rampspoed, woede gericht tegen de moordenaars of tegen hele volksstammen, goden. Anderen zeiden dat er altijd dit soort dingen gebeuren, over de hele wereld, de hele dag door en dat iedereen daar ook de hele tijd bang, strijdvaardig en verdrietig van moet zijn, wat waar is, maar onmogelijk – voor mij. Mensen werden kwaad over waar andere mensen kwaad over waren. Ze zeiden dat we niet bang mogen zijn.
Niemand zei dat het goed kwam, écht goed, helemaal, de doden ontdood, de wonden weer dicht.

Er gebeuren dingen die ik niet bevat. Het moorden natuurlijk, maar wat ik bedoel is alles erachter. Wapens die ergens vandaan komen, bommen die ergens gedropt zijn, dorpen en steden die afbranden omdat er gevochten wordt om een grens die ik niet ken, geldstromen die ik niet begrijp, religies die ik geen van allen aanhang. Hoe meer ik lees hoe meer er te lezen is. Het lijkt alsof er ver boven mijn hoofd machtige mannen aan een tafel zo groot als de hemel zitten, ze schuiven met papieren en er rollen koppen die van niemand zijn, maar toch, van iemand. Zo nu en dan laat één van de mannen zijn vuist op tafel neerkomen en volgt er een daverende stilte waarin er geblust moet worden, of gejuicht, net afhankelijk van waar je geboren bent.

Naast die kinderlijke hoop is er een nog kinderlijker ongeloof – waarom geweld? Ook daarop is het antwoord, vrees ik: omdat we mensen zijn. We zijn groepen mensen die in andere groepen mensen de bron van alle kwaad zien, in goddeloosheid of juist in een God, in blote schouders en in bedekte haren en in grenzen die je wel of niet over mag; kennelijk, als iets de bron van alle kwaad is, is geweld gepast om die bron te bestrijden.
Ik zocht naar het geweld in mezelf, omdat ik alles wil begrijpen en ik vond het, in het klein, heel ver weg, in de keer dat ik bereid was iemand tot moes te slaan omdat hij iemand die me lief was aanviel.
Dat hoeft alleen te groeien en daar zou ik al zitten, aan die tafel, slaande met mijn vuisten. ‘Alles komt goed,’ zou ik zeggen, ‘als je me even mijn gang laat gaan.’

Deze column komt uit Advalvas.

Vluchtelingencrisis van onder een stoeptegel

Wat mij bereikt van de vluchtelingencrisis is niet de mensen in nood, of de oorlog, maar mijn Facebookvrienden. Avatar na avatar roept: Dit Zijn Tien Redenen Waarom We Vluchtelingen Op Moeten Vangen! Niet kwaad zijn als je een Syriër met een smartphone ziet!

Omdat ik mijn Facebookvrienden min of meer hetzelfde kies als in het dagelijks leven leek het net of iedereen in Nederland tegen niemand in het bijzonder riep dat we migranten met open armen moeten ontvangen. Ik was geërgerd: jongens, we hoeven dit toch niet te roepen, iedereen weet toch dat je als je een ziel hebt je anderen in nood moet helpen? Richt die sportzaal in, verzamel spullen, stop met dat geblèr over hoe goed je wel niet bent.

Natuurlijk is Facebook niet het dagelijks leven. In de kroeg druk ik bij een vervelende gesprekspartner niet mijn oren dicht om hem te ontvolgen en ik kieper ook nooit een kennis met ongure ideeën over de rand van een brug om van ‘m af te zijn. Facebook is zelfs geen televisie, waar je of je het nu wilt of niet af en toe tegen een tenenkrommende voxpop aanzapt (‘se kenne allemaal versuipe die uitfreters, soals Sjeekspier al sij: De W fan wakker Stamppot etah’) en zo de drang kunt gaan voelen om een tegengeluid te laten horen. Ik heb geen televisie-abonnement. Dus ging ik, bijgekomen van mijn ergernis, zoeken naar de oorzaak van al dit geschreeuw van mijn rechtschapen Facebookmatties. Bleek voor de zoveelste keer dat ik nooit helemaal bekomen ben van mijn geloof in sprookjes. De immense stroom aan hulpbehoevenden riep niet bij iedereen de Samaritaan op, maar voedde een leger aan mensen die ik in het dagelijks leven wel dégelijk over de rand van een brug zou willen kieperen zouden ze hardop de dingen durven zeggen die ik in de commentaren onder nieuwsberichten las.

Het wonderlijkste is nog wel dat deze PVV’ers vaak onder hun eigen naam (en vermoedelijk onder begeleiding van een chimpansee die ze helpt met schrijven) naar alles wat niet wit en Hollands is uithalen. Kennen zij dan niet de emotie die ik zelfs in échte gesprekken regelmatig ervaar? Namelijk de drang na iets onhandigs te hebben gezegd ten overstaan van iets te veel mensen, of één belangrijk mens, in een stil hoekje de haren uit je hoofd te gaan zitten trekken, of je wenend te willen verschansen onder een stoeptegel tot iedereen je is vergeten? En in zo’n situatie is je enige troost nog wel dat de verbale blunder van het, ik noem maar wat, het per ongeluk verwijzen naar de jeugdtrauma’s, de moeder, het geslachtsdeel van je toehoorder, niet ten overstaan van het gehele land en drie toekomstige generaties te berde gebracht is.

Ze schamen zich niet. Wie zich plaatsvervangend schamen zijn de roepers in mijn vriendenlijst. Hun aanmoedigingen te helpen zijn niet alleen aanmoedigingen maar ook een luid en duidelijk bewijs: dáár hoor ik niet bij. En dat is, laten we wel wezen, nog altijd effectiever dan mijn harengepluk of die stoeptegel waar ik zo moeilijk onder vandaan lijk te komen.

Deze column komt uit Advalvas

Mea Culpa

Vandaag staat er in De Volkskrant een interview met Quinsy Gario, activist, denker, maker, fel tegen zwarte piet en daardoor bekend en bedreigd. Na de MH17-ramp plaatste Gario een spraakmakende en voor velen pijnlijke tweet: ‘White lives matter more than brown ones.’ In het interview wordt geschreven: ‘u heeft nooit uw excuses aangeboden voor die tweet’. Gario antwoordt dat hij zijn excuses heeft aangeboden aan de nabestaanden van de slachtoffers. Dit is niet genoeg.
Gario moet buigen en berouw tonen, de volgende vragen luiden:

‘Veel mensen begrijpen uw gedachtegang niet. Op het moment dat u vlak na zo’n ramp een bericht plaatst waarmee u mensen verdriet bezorgt, helpt dat niet.’
‘U had het kunnen weten.’
‘U heeft veel kwaad bloed gezet.’

Gario zegt dat hij niet wist dat hij mensen verdriet bezorgde. Dat kun je naïef noemen, ja, en me dunkt dat hij er inmiddels achter is dat hij mensen gekwetst heeft, maar draai het even om en wacht met het roepen over jij-bakken; denk aan de mensen, al die mensen, die en publique pijnlijke opmerkingen maken over de ‘brown bodies’, ‘black lives’, waar Gario voor in de bres springt. Het achteloze geblèr over zwarte piet uit monde van mensen die niet weten, of moedwillig negeren, dat ze daar anderen mee over het hoofd zien. Mensen die in kapitalen iemand naar z’n eigen land terugwensen, of erger. Maar ook; de opmerking die door een naïeve of gewoon onwetende burger geplaatst wordt over een kwestie die niet direct bedoeld is om een (minderheids)groepering te kwetsen, maar dit wel doet. Het roet van zwarte piet, het ‘verbouwen’ van transgenders, het knuffelen van Marokkanen.
Worden al deze mensen ter verantwoording geroepen in een nationale krant? Zelden. Zelfs de prominenten wordt niet vaak en zeker niet zo herhaaldelijk om excuses gevraagd.

Dus had Gario deze drietrapsraket aan mea-culpa-hints over zich heen moeten krijgen? Nee. Sterker: niemand zou verplicht gesteld moeten worden tot een spijtbetuiging.
Excuses aanbieden is galant en nadenkend, uiteraard, maar laat mensen dat vooral voor zichzelf bepalen – doordat ze de juiste tegenargumenten teruggekaatst krijgen bijvoorbeeld en zo tot eventuele bezinning komen.
Ken je nog dat gevoel van toen je klein was, ruzie had met het grootste eikeltje of tutje uit je klas omdat die jouw speelgoed stukmaakte en dat je elkaar dan zo’n kleverig handje moest geven en zielloos ‘sorry’ naar elkaar moest mompelen terwijl je allebei geen greintje spijt voelde en gewoon verder ging met het vernielen van elkaars eigendom of eigenwaarde, maar dan stiekemer?
Er heerst een klimaat van holle sorry’s.

Ga in discussie. Wacht af wat er komt. Meer bagger of onmenselijkheid? Nog meer discussie, verzamel gelijken, laat weten waarom je het niet met iemand eens bent. Kom met argumenten. Vorm een front, een muur, een beschermlaag zo je wilt, bied steun, verklaar jezelf, vraag hulp, geef tegengas. Soms win je medestanders, soms zijn er overlopers, beide kanten op, soms word je het niet eens en ja, vaak en zeker in precaire gevallen bestaat er een leger aan idioten dat met modder en bedreigingen strooit. Dat is verschrikkelijk en achterlijk en daar lijkt geen oplossing voor te zijn omdat die idioten onuitroeibaar zijn (daarbij, uitroeien is ook weer zo extreem). En nee, veel discussies zijn niet netjes- begrijp me niet verkeerd, ik zie heus geen keurig klasje debaters op elkaars beurt wachten voor ze iets mogen zeggen voor me. Schreeuw als je dat nodig vindt.
Maar zeur vooral niet om dat kleverige handje. Dat levert, behalve schijngemoedsrust voor de buitenstaander, geen reet op.

Deze opinie is overgenomen door Joop.nl.