Wat je verkeerd kunt doen

Het is donker. Met Zorro de hond loop ik z’n laatste rondje, we staan voor de deur als hij nog dringend aan een lantaarnpaal wil ruiken. Ik heb mijn sleutels al uit mijn zak gehaald als drie jongens onze kant uit de weg oversteken, aan hun stemmen is te horen dat ze iets moeten en ik denk nee nee nee even niet, even verdomme niet maar daar gaan we al: Ey, zo lelijk ben je, kijk die lelijke chick met d’r lelijke hond, ik heb nog nooit zo’n lelijke kankerhoer gezien hee lelijkerd ik word blind van je lelijkheid (enz., enz.).

Ik weet wat het wijze is om te doen. Hetzelfde als wat je moet doen als je overvallen wordt: je doet wat de overvaller wil (je geeft je geld, je houdt je mond, je maakt je klein en hoopt dat het gauw over is) en glibbert zo snel mogelijk weg naar een veiliger oord. Je moet denken: ik sta hierboven, dit is willekeur, ze zoeken problemen, het is niet persoonlijk, het hoort erbij. Ik weet dat allemaal en maak een overweging, alweer. Door mijn hoofd gaan vorige keren, op andere plekken, soms vlakbij in dezelfde buurt, soms aan de andere kant van de stad, vijftien jaar geleden. Een straatlang verbaal vernederd worden en niets zeggen. Een hand op het kruis van mijn spijkerbroek om te checken wat er zit, stil blijven omdat het dan gauw over is. Een klap voor m’n harses in de metro omdat ik de verkeerde aankeek, ik ga neer en om me heen deinst een groep reizigers terug, ik kruip het perron op waar iemand om me lacht. Horen: hee, lekker wijf, kom eens hier en niets zeggen, ook maar niets zeggen, horen: hee trut ik heb het tegen jou, niet zo arrogant, hoer.

Ik weet dat het gevaarlijk is om tegen die jongens te praten maar ik weet ook dat de keren dat ik dat wel deed, ook al resulteerde het hier vlakbij ooit in een achtervolging waarbij ik me uiteindelijk verstopt heb in een portiek om fluisterend mijn vriend te bellen, de keren zijn waar ik mee kan leven. Natuurlijk word ik kwáád als ik eraan denk, maar niet op mezelf. Ik weet dat het gevaarlijk is om gas terug te geven, en niet zoals vaak met een flauwe grap of door aan ze te vragen of ze m’n lelijke hond misschien willen aaien maar door terug te schreeuwen zoals zij naar mij schreeuwen. Ik sta hier niet boven, ik sta hier niet buiten, ik zit er middenin, ik sta net zo hard op deze straat als de blèrende jongens, ik ben klaar met ‘gevaarlijk’ en ‘onverstandig’ en ‘het hoort erbij’, de hond kijkt me aan, wat staan we nou te dralen, ik haal adem, ik schreeuw: kom hier. Kom het in mijn gezicht zeggen. Kom in mijn gezicht zeggen hoe lelijk ik ben.

De jongens stoppen. Ze komen niet. Ze roepen dat ze me gaan beuken, dat ze de hond vermoorden, maar ze komen niet. Ik zeg: kom hier. Kom hier, als je zo stoer bent. Dan komen ze. Een van de jongens heeft een tafeltje van de straatkant gepakt en houdt het boven zijn hoofd om, zoals hij zegt, mij en de hond helemaal kapot te maken. Ik doe een stap naar voren. Doe het. De hond drukt zich tegen mijn been. Als ik nu naar binnen ga, weet ik, zullen die jongens volgen. Ik schreeuw nog harder: doe het. Zet nog een stap naar voren. De jongens deinzen terug – ik moet overkomen als een maniak en ik vind het lekker. Ben je bang brul ik, ben je bang voor een lelijke chick? De hond gromt. Eén van de jongens is weggelopen, hij houdt een bus aan, roept zijn vrienden die naar hem toe rennen, het tafeltje zetten ze keurig terug aan de straatkant.

In de lift omhoog zit ik op het invalidenbankje, mijn handen trillen zo dat ik Zorro’s lijn los moet laten. Hij likt ze, wat vies is maar toch ook wel lief. Ik voel me schuldig: straks was hij het slachtoffer geworden van mijn opstandigheid. Thuis vraag ik me af: moet ik aangifte doen? Mag ik hier kwaad over zijn zonder naar de politie te stappen of doe ik het dan alsnog verkeerd? En dan denk ik aan keren dat ik heb geprobeerd docenten of agenten te overtuigen van hoe bang, hoe naar, hoe bedreigend. Hoe jongens zeiden ‘maar ze schold ons uit’ of ‘het was maar een grapje’ en dat het dan dus maar een grapje was. Hoe een agent op straat, ik was vijftien, had in een lift tegenover een rukkende kerel gestaan en het duurde ongeveer vijf minuten voor ik geluid uit mijn keel kreeg, zei: ‘ja, kom je nu mee, nu kunnen we hem toch niet meer vinden, die dingen gebeuren nou eenmaal’. En ik weet: niet alle agenten, niet alle mensen, maar ik denk ook aan dat die jongens mij mijn eigen huis in hebben zien gaan. Aan het gedoe. Aan hoe ik, dat kutwijf met die klotehond, met mijn dictie die als ik niet woedend ben weer van Amsterdams naar keurig verschuift, aan hoe verbolgen ik zal klinken, of ik soms niet tegen een grapje kan of ik soms wou beweren dat ik niet lelijk ben of ik soms uit een dorp kom of ik soms ijdel ben of ik soms niet begon of ik niet weet dat het hartstikke gevaarlijk was wat ik deed.

Dus als ik ga slapen tel ik mijn fouten. Alsnog. Ik denk dat ook het feit dat ik hierover iets schrijf er volgens velen eentje is (want is ze nu aan het huiliehuilieslachtofferen?). Dat ik geen aangifte doe is volgens anderen verkeerd: ik red m’n eigen hachje in plaats van een poging te doen om te voorkomen dat dit anderen ook gebeurt.

Er blijven altijd zo veel fouten over. Alsof ik er, waar die jongens er één maakten, wel tien maak. Maar die van schaamte, nederigheid, die van het met gebogen hoofd gelijk geven, ja meneer ik ben wat je zegt, wil ik niet meer, even niet meer, maken.

*

Nieuws: schrijfcursus

Je kunt vanaf half oktober bij mij een stoomcursus schrijven volgen aan de Querido Academie. Dat houdt in:

Je schrijft graag, maar komt niet aan beginnen toe. Of je begint, maar loopt al snel vast. De Querido Academie Kickstart is er om los te breken: in deze stoomcursus leer je iedere les vanuit een andere hoek een verhaal te maken en krijg je overzichtelijke opdrachten die je creativiteit aanzwengelen. Schrijver Roos van Rijswijk leert je dat inspiratie echt niet altijd uit het niets hoeft te komen. Soms is de zin om te schrijven voldoende, en heb je alleen een zetje nodig om door te gaan.

De Querido Academie Kickstart is de perfecte remedie tegen de writer’s block. Kom uit je comfortzone met een gek stijlexperiment, of door jezelf (op papier) te veranderen in heel iemand anders. Schrijf vanuit een personage of juist een situatie. Wissel eens van genre. En leer van andere schrijvers, aan de hand van de aangeboden voorbeelden uit romans en korte verhalen uit binnen- en buitenland.

Het belangrijkste is dat je er plezier aan beleeft. Aan het eind van deze masterclass heb je een kort verhaal, of het begin van een roman geschreven!

Hier (<– klik) vind je meer informatie en de mogelijkheid tot inschrijven.

*

Wallenpoëzie, slaapgebrek, Wolkerstuin, tientje

Update (dat deze website die ook kan gebruiken moge duidelijk zijn, binnenkort, binnenkort)

  • Van 9 t/m 12 juli geen slaapgebrek door een olifant maar door VPRO Nooit Meer Slapen; ik lees er columns voor (rond 1 uur ’s nachts)
  • voor Public Art schreef ik een gedicht over de Wallen, het is een monument voor de dagjesmens, gebaseerd op 360-graden foto’s die toeristen aldaar maken. Het is een audiofile. Als u hier klikt kunt u luisteren (en wat van de foto’s zien). Het duurt ongeveer 7 minuten. Als u zich afvraagt welke Amsterdammer daar keurig probeert te praten: dat ben ik. Als u de tekst terug wilt lezen, stuur vooral een e-mail, dan stuur ik ‘m op.
  • De laatste twee weken van juli verblijf ik in het oude tuinhuisje van Jan Wolkers. Als een soort (zeer vereerd) proefkonijn, want het huisje, gelegen in het superdeluxefancy volkstuinenpark Amstelglorie, wordt over niet al te lange tijd in gebruik genomen als schrijversresidentie. Rob van Essen is ook proefkonijn en schreef er mooie stukken over.
  • Er is een midprice-editie verschenen van Onheilig. Hij kost maar een tientje, is heerlijk pocketflapperig en leent zich uitstekend voor een melancholisch strandbezoek, al zeg ik het zelf.
  • Verder in NRC een fijne recensie van De olifant van de bovenbuurman en in de Metro een lekkere aanprijzing.
  • Ik ben voor het eerst in jaren naar de tandarts geweest en heb maar een klein beetje gehuild.
  • Zorro de hond heeft voor het eerst geprobeerd te zwemmen maar vond dat zo leuk dat hij zichzelf al kwispelend bijna verzoop.

 

*

 

Tellen

The VIDA Count is een jaarlijkse inventaris van het percentage mannen/vrouwen (en inmiddels meer dan dat) dat in (literaire) tijdschriften publiceert.

In de VS doen ze ’t zo, tellen. En hoewel er altijd wel iemand kwaliteitsargumenten begint op te sommen en ook cijfers alle kanten op geïnterpreteerd kunnen worden, of misschien juist daarom, is zo’n telling betekenisvol – immers, de discussie over (gender/enz)gelijkheid wordt van beide kanten direct doodgemept als er niemand met getallen over de brug komt.

Je kunt gnuiverig worden van het Amerikaanse jargon (‘do you identify as disabled, trans, black, impaired, etc…’) en vinden dat dit verdelen-om-te-tellen juist die hokjesgeest in stand houdt – neemt niet weg dat het interessant is om te zien hoe het gesteld is met de diversiteit onder de schrijvers van belangrijke tijdschriften. Wat betekent dat? Hoe vind je dat de verhouding zou moeten liggen? Kun je hieraan aflezen waar je terecht kunt als lezer met behoefte aan variatie – dus niet alleen kritiek, essay, proza en poëzie van the usual suspects? Kun je hieraan als schrijver aflezen waar je vermoedelijk meer bent dan de excuusvariatie?

Zonder te willen beweren dat alles uit Amerika klakkeloos en zonder enige aanpassing overgeheveld kan worden naar hier: het zou interessant zijn als de Europese of Nederlandse periodieken ook aan een analyse als dit onderworpen zouden worden – een soort Lezeres des Vaderlands Megathunder2000plus. Maar goed, schreef de huichelaar, zelf ga ik dat dan weer niet doen, ik schrijf beter – iets waar ik de afgelopen dagen, na het (met vereende krachten) opstellen van de open brief aan de CPNB overigens niet aan toekwam. Ja, e-mails schreef ik, ongeveer 4800394. Lezen deed ik ook: van warme steunbetuigingen tot opbouwende kritiek tot mensen die vinden dat ik mijn feministische zeikmuil moet houden omdat ik geen lekker wijf ben.

Een grafiek zal iemand die zo redeneert niet op andere gedachten brengen. En toch.

De moeder de, eh

Het is hachelijk, een uitermate feminien boekenweekthema – met goede wil en een bord voor je kop zou je het dapper kunnen noemen van de CPNB, bijvoorbeeld met het recente promotieonderzoek van Corina Koolen in je achterhoofd. Zij toonde (tot grote verontwaardiging van mensen die er geen vijf jaar onderzoek in hebben gestoken) aan dat alles wat met vrouwen te maken heeft in de literatuur weliswaar heus kan verkopen, maar stelselmatig lager gewaardeerd wordt. Zie hier gelijk de tweespalt waarin de CPNB zich bevindt: de boekenverkoop moet gepropageerd worden, maar heb je het over boeken, heb je het ook over de literaire sector. Waarin verkoop onmisbaar is, maar waar ook allerlei sociale en culturele kapitaaltjes rondwaren. Simpel gezegd – en simpel stelde ik ook alles hiervoor –  Van Royen en Noort zijn verkoopknallers waar menig vijfsterrendichter met een oplage van driehonderd exemplaren desondanks over staat te gnuiven boven z’n huismerkwijntje.

Zou verkoop – het aanspreken van een zo breed mogelijk publiek – de reden zijn dat zowel de schrijver van het Boekenweekgeschenk als die van het Boekenweekessay een man is? Is De moeder de vrouw al iets te veel wijf om er ook nog een over aan het woord te laten, al is het (prachtige) gedicht ooit door een man geschreven? Ik stel de vraag alsof hij retorisch is, maar de wegen van de CPNB zijn ondoorgrondelijk, en laten we wel wezen, ze doen het daar eigenlijk nooit goed volgens alle literaire stuurlui aan wal. Je (nee, pardon: ik) moet er toch niet aan denken dat het jouw taak is een heel land tevreden te stellen met één thema en twee schrijvers – dat kan helemaal niet. Of, ook superkut: dan ben je Jan Siebelink (geschenk) of Murat Isik (essay), dan krijg je het uiterst lucratieve en prestigieuze verzoek voor de Boekenweek in de pen te klimmen, vallen al die zeikwijven(m/v/x) over je heen. Wat moet je dan doen: weigeren? Zeggen: ‘ik doe dit alleen als het andere boekje door iemand die zich identificeert als vrouw, als moeder, wordt geschreven’?

Nou ja: aangenomen dat beide auteurs met het thema bekend waren voor ze werden gevraagd, waarom niet weigeren? Maar zoiets doe je alleen als je wel eens over dit soort zaken nadenkt, je een bepaalde mening gevormd hebt, je misschien wel geneert voor het feit dat er twee kerels gevraagd worden om over vrouwen te schrijven, en je sterk verplicht voelt naar die gêne te handelen. Sterker, bedoel ik, dan voor de rest van je leven auteur van een Boekenweekgeschenk te zijn. Sterker dan, hoe je het ook wendt of keert, de enorme erkenning die dat betekent, ook voor iemand als Siebelink (laat ze maar gnuiven met hun supermarktwijntjes). En dan de vrijheid die die erkenning met zich meebrengt – natuurlijk, je hebt een jaar geen tijd om ook maar één letter op papier te zetten, maar daarna hoef je misschien nooit meer iets anders te doen dan wat je het liefste doet: schrijven.

Kun je het de schrijvers aanrekenen? Ja, maar ook weer niet zo hard, enig inlevingsvermogen is hier op z’n plaats, al kan inleven soms hard werken zijn. Bijvoorbeeld als je zoals ik hierboven heel hard probeert een beetje medelijden te hebben met de mensen van de CPNB, dat gaat dan nog nèt. Maar wat níet gaat is zo ontzettend inlevend één worden met die organisatie dat je kunt invoelen waarom de fuck deze keuze gemaakt is, hoe je – als dat nattevingerwerk van mij klopt – je godsnaam in dat tweespalt tussen commercie en cultuur kunt bevinden en kan denken: weet je wat, dit is waarschijnlijk wat ons plebsje wil en dat je dan dus geen romanpersonage van Thierry Baudet bent, maar iemand die in de Werkelijke Wereld een beslissing maakt.

De totale absurditeit en problematiek van het feit dat dit Boekenweekthema ingevuld wordt door mannen die over vrouwen schrijven, heeft kennelijk voor niemand bij de CPNB zwaar genoeg gewogen om te zeggen: ‘Hee, mensen, is het mogelijk dat we naast een man ook een vrouw vragen? Misschien een vrouw die ook moeder is? Want, nou ja, op zich, van de afgelopen tien Boekenweekgeschenken zijn er überhaupt maar twee door een vrouw geschreven? En staat niet in onze promotekst “Het thema kent twee verschillende perspectieven, die van de moeder zelf maar ook die van het kind.”? Even buiten beschouwing gelaten dat er nog veertien andere perspectieven te bedenken zijn? Anyone?’

Of is dat wel gebeurd? Zo ja, wat was het antwoord? Hier een gokje:

‘Ja zeg, we gaan die gleufdieren toch niet over zichzelflaten schrijven? Of over hun moeder? Vrouwen schrijven altijd alleen maar over gezinswissewasjes, mannen weten het moederschap veel universéler te maken!’

Waarop de spreker in kwestie zijn zomervacht schikte, op zijn mammoet stapte en vertrok. Bij het verlaten van de grot sloeg hij, bij gebrek aan deur, nijdig de muil van een drachtige koffiedame dicht.

*17-6: kleine toevoeging: in het stuk hierboven wek ik de indruk dat zowel Siebelink als Isik over het Boekenweekthema dienen te schrijven. Dat is niet waar: de schrijver van het geschenk – Siebelink dus – is vrij in zijn onderwerpkeuze. Dat neemt niet weg dat het wonderlijk is dat er met een Boekenweekthema als dit twee mannen als vlaggenschip aangesteld worden, en verandert niets aan mijn verontwaardiging, die ik goddank met velen deel.

Twee korte verhalen, een recensie en een olifant

Twee korte verhalen

Voor de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam schreef ik de afgelopen tijd twee korte verhalen die nu op de verse website, een ware literatuurgoudmijn, terug te lezen zijn.

Je moet je fiets binnenzetten‘ schreef ik voor het programma Short&Kort, waarbij schrijvers de tagline (samenvattende zin) van een hen onbekende korte film krijgen. Die van mij was “Bevreemdende situaties ontstaan wanneer een jong vluchtelingengezin na het verkrijgen van een verblijfsvergunning in een klein dorp in Nederland belandt.”

Sluit je ogen‘ is het resultaat van een science fiction-workshop van Monnik. Voor de verandering verplaatste ik mezelf niet in een geest, maar in een buitenaards wezen. Of eigenlijk: andersom.

Een recensie

Voor NRC besprak ik de verhalenbundel De hondenschool van de Hongaarse Edina Szvoren en concludeerde dat ik duidelijk geen Hongaar ben.

Een olifant

Vorige maand verscheen De olifant van de bovenbuurman. Arjan Peters besprak ‘m in De Volkskrant, op Hebban verscheen een mooie recensie van de hand van Anne Oerlemans en in HP De Tijd wordt geschreven: “Van Rijswijk (…) presenteert op droge toon telkens weer een volgende bron van geluidsoverlast. Dat werkt bijzonder komisch.” (hier een Blendle-linkje, De olifant volgt op Saskia Noort). In Het Parool en in De Morgen (tekst op aanvraag, staat niet online) verschenen interviews.

In Opium op Radio 4 sprak ik met Annemieke Bosman over (onder meer) de uitgave, en tot mijn grote vreugde draaiden ze zelfs Di Gojim.

Een soort verbale selfie (over smartphones en Facebook)

In Tijd, een zaterdagbijlage van Trouw, een artikel over drie jonge mensen zonder smartphone. Die van Auteur Anne Wijn (‘twintiger’) werd gejat: ze ervoer opluchting. De geïnterviewden schaften er nooit een aan of grepen bewust terug naar een simpeler model.

Ik denk vaak aan een filmpje uit de jaren negentig, geschoten in en rond Amsterdam Centraal, waarin mensen monter uitleggen waarom ze nooit een mobieltje aan zullen schaffen. Ze zien eruit om heimwee van te krijgen, wat helemaal nergens op slaat, dat komt gewoon omdat ik zelf de leeftijd krijg waarop ‘vroeger’ als glanzend en versimpeld geluk aan het eind van de regenboog ligt; als ik lang denk aan waar ik toen allemaal mee zat zou ik bijna een feestelijke optocht organiseren omdat ik goddank geen tiener meer ben.

Toch: de herinnering aan het filmpje komt niet voor niets zo regelmatig terug. Mijn eerste mobiele telefoon kreeg ik rond m’n zestiende, tegen m’n zin, maar ik belde zo’n beetje dagelijks (collect…) naar huis met de telefoons die op Centraal Station stonden. Als ik met mensen afsprak op het meetingpoint van datzelfde station kwamen ze steevast een halfuur te laat en dan zeiden ze ‘ja, als je nou een telefoon had, kon ik je sms’en.’ Stond ik zelf stil in metro 54, maakte ik me zorgen om wie ik liet wachten. De eerste smartphone stelde ik lang uit. Inmiddels overweeg ik iedere dag dat ding, omdat het zo groot is dat het in geen enkele zak past (of wel, maar dan kan ik niet zitten of mijn been niet buigen) een sloot in te flikkeren. Net als dat ik er al jaren naar neig m’n Facebookprofiel op te zeggen wegens moedeloosheid: al dat gekanker op alles, mensen met de selfietyfus, baby’s die ik niet ken, complotdenkers die ondanks hevig filteren mijnerzijds toch steeds weer de kop opsteken. De mens is mooi, het vreemde geweldig, maar op deze manier blijft er weinig van over. Misschien juist door dat gefilter. Enfin, wie zonder zonde is enzovoorts, ik zadel een deel van u op met dit uiterst particuliere blogje, een soort verbale selfie, via Facebook.

In het artikel van Anne Wijn las ik dat de belangrijkste reden dat ik de smartphone nog heb, precies is wat de drie smartphonelozen als grootste – maar duidelijk geen onoverkomelijk –  nadeel ervaren: de (halleluja!) navigatiefunctie. Hoewel ik heb leren kaartlezen in een tijd dat Google Maps nog toekomstmuziek was, ben ik er altijd hopeloos, stereotypebevestigend, beschamend slecht in geweest. Sinds ik weet hoe je jezelf met behulp van een telefoon in een blauw bolletje kunt veranderen dat met de kaart meeloopt is het leven zo ontzettend veel makkelijker geworden. Voor het vragen van de weg ben ik niet te beroerd, maar mensen die dit argument verbolgen op hun Facebookpagina plempen zijn duidelijk nooit analoog fietsend midden in de nacht in een diep slapend dorp, het verkeerde dorp, terechtgekomen, of door een kaartleesfoutje midden in een sneeuwstorm in de slechtste wijk van Chicago om door een goedgeluimde doch doodenge kerel vol getatoeëerde tranen onder z’n shifty eyes naar een beter oord te worden geëscorteerd (goed verhaal, maar ik had deze ervaringen best kunnen missen).

En Facebook dan? De reden dat ik daar nog ronddool deel ik met veel andere creatieven. Het is een reden waar ik me een beetje vies-plakkerig bij voel, maar wel een belangrijke: ik ben zichtbaar. Of in ieder geval: mijn werk is dat. Nu is ‘zichtbaarheid’ niet de primaire drijfveer achter wat ik doe, het krijgen van opdrachten is wél belangrijk, en ook opdrachtgevers vinden of kennen me vaak via het medium.

Het kan anders, dat zal het uiteindelijk ook wel, in ieder geval betreffende dat slepende geFacebook. De navigatiekwestie, intussen, stel ik hoe dan ook nog even uit. In het najaar ben ik terug in Chicago, vermoedelijk als het gelukkigste blauwe bolletje in het stratenplan.

[foto: een analoge spiegelselfie]

De olifant van de bovenbuurman

Voor wie zich afvraagt wat de bovenburen in vredesnaam allemaal doen om zo veel geluid te produceren.

Roos van Rijswijk woonde jarenlang onder een enorme herrieschopper; wat er daarboven werd uitgevoerd, was haar altijd een raadsel. Het leek wel alsof… ja, het móést wel een olifant zijn, die ’s nachts tapdanst, aan karaoke doet en met de bovenbuurman een luidruchtige kangoeroe heeft geadopteerd. Soms hebben ze ruzie, maar meestal is het leven één groot feest. Ze schreeuwen hun gesprekken boven de muziek uit, schuren even lekker de verwarmingsbuizen om te ontspannen en legen af en toe een zak knikkers op de laminaatvloer.

Van Rijswijk liet zich inspireren door de ontspannende klanken van de zelfgemaakte bowlingbaan van de bovenbuurman, het getrompetter van de olifant en de sprongen van de kangoeroe. Ze schreef de avonturen van het wonderlijke drietal op; samen met de illustraties van Sylvia Weve vormen ze een idyllische schets van hun kakofonische geluk. Wie wil daar nu niet onder wonen?

Vanaf 17 april 2018 verkrijgbaar bij boekhandels en online.

Wat ben ik meer dan stilte

Een kleine oplage, gedrukt aan de Van Eyck Academie. Spookverhalen en spookgedichten, door ’t spook verteld. Tweetalig (Nederlands/Engels – 48 pagina’s). Onder redactie van Erik Lindner. Vertaling door David McKay, Illustraties Sophie Schmidt, ontwerp en druk Christophe Clarijs en Céline Mathieu. Mogelijk gemaakt door Ben Remkes Cultuurfonds.

Te verkrijgen door:
– Een abonnement te nemen op Terras, dan krijg je het boekje erbij! http://tijdschriftterras.nl/abonnement-1-jaar/

– Mailen naar info@janvaneyck.nl, onder vermelding van bestelling Roos van Rijswijk, Wat ben ik meer dan stilte. Kosten: 15 euro.

Dit is de inleiding:

Jaren geleden vertelde een van mijn oma’s, een nuchtere Friezin zonder neiging tot religiositeit of griezelen, dat ze op een nacht de buurman in haar gang tegen was gekomen. De volgende dag kwam ze erachter dat dit onmogelijk was: hij bleek die nacht te zijn overleden.

Aan deze wonderlijke anekdote heb ik een levenslange fascinatie voor het persoonlijke spookverhaal overgehouden. Niet zozeer de mythes, de djinns, de witte wieven, de bokkenrijders, maar de oma’s die dode buurmannen zien, de vrienden die een doorschijnende dame over straat zien lopen.

Ik geloof hartstochtelijk in spookverhalen, en ik geloof iedereen die weleens een geest heeft gezien op z’n woord – of ik ook in geesten geloof is een tweede. Het mooie van spookverhalen is, naast dat het heerlijk is om een spannend verhaal te horen, dat mensen ze in veel gevallen al vertellend repeteren. Een keer tijdens een etentje, dan tijdens een wandeling, voor nieuw publiek in de kroeg; ze leren spanning opbouwen, ze weten precies wanneer ze zich al dan niet willen verontschuldigen voor hun bijgeloof, ze laten op het juiste moment een stilte vallen. Ze weten welke details (het kraken! Het weer!) ze kunnen vergroten. Ze passen de verhalen in een spookverhalenmal of gaan er zelf mee aan de haal.

Er wordt wel gezegd dat er in Nederland, of het Westen, geen orale verteltraditie is. Ik denk dat die er wel is, maar kleiner, anekdotischer zo je wilt, in verhalen als deze.

Omdat het flauw is om die zorgvuldig vertelde verhalen zomaar over te schrijven en zelf met de eer te strijken, heb ik een aantal van de verhalen die mensen me vertelden herschreven vanuit het gezichtspunt van de geest in kwestie. Ook omdat het me een mooi idee lijkt: wij, de levenden, vertellen over de doden, maar als die doden daadwerkelijk ronddolen hebben ze misschien zelf ook wel iets te vertellen. En: heeft een geest een lichaam? Maakt hij zich nog druk over zijn gewicht? Kun je lol beleven aan bange tieners? Het zijn interessante vragen om over na te denken.

Veel dank aan Gerry Sytsma (✝), Ted Hyunhak Yoon, Tom Kok, Atze van Rijswijk, Jessica Segall en Elisa Caldana. Ook zeer veel dank aan het Nederlands Letterenfonds en de Jan Van Eyck Academie en al haar medewerkers en deelnemers, voor de prettige tijd en mooie verhalen bij het vuur. Veel dank aan cultureel centrum Mandril (Maastricht) voor de mogelijkheid tot het bouwen van dat (kamp)vuur.

[foto: Erik Lindner]