De olifant van de bovenbuurman

Voor wie zich afvraagt wat de bovenburen in vredesnaam allemaal doen om zo veel geluid te produceren.

Roos van Rijswijk woonde jarenlang onder een enorme herrieschopper; wat er daarboven werd uitgevoerd, was haar altijd een raadsel. Het leek wel alsof… ja, het móést wel een olifant zijn, die ’s nachts tapdanst, aan karaoke doet en met de bovenbuurman een luidruchtige kangoeroe heeft geadopteerd. Soms hebben ze ruzie, maar meestal is het leven één groot feest. Ze schreeuwen hun gesprekken boven de muziek uit, schuren even lekker de verwarmingsbuizen om te ontspannen en legen af en toe een zak knikkers op de laminaatvloer.

Van Rijswijk liet zich inspireren door de ontspannende klanken van de zelfgemaakte bowlingbaan van de bovenbuurman, het getrompetter van de olifant en de sprongen van de kangoeroe. Ze schreef de avonturen van het wonderlijke drietal op; samen met de illustraties van Sylvia Weve vormen ze een idyllische schets van hun kakofonische geluk. Wie wil daar nu niet onder wonen?

Vanaf 17 april 2018 verkrijgbaar bij boekhandels en online.

Wat ben ik meer dan stilte

Een kleine oplage, gedrukt aan de Van Eyck Academie. Spookverhalen en spookgedichten, door ’t spook verteld. Tweetalig (Nederlands/Engels – 48 pagina’s). Onder redactie van Erik Lindner. Vertaling door David McKay, Illustraties Sophie Schmidt, ontwerp en druk Christophe Clarijs en Céline Mathieu. Mogelijk gemaakt door Ben Remkes Cultuurfonds.

Te verkrijgen door:
– Een abonnement te nemen op Terras, dan krijg je het boekje erbij! http://tijdschriftterras.nl/abonnement-1-jaar/

– Mailen naar info@janvaneyck.nl, onder vermelding van bestelling Roos van Rijswijk, Wat ben ik meer dan stilte. Kosten: 15 euro.

Dit is de inleiding:

Jaren geleden vertelde een van mijn oma’s, een nuchtere Friezin zonder neiging tot religiositeit of griezelen, dat ze op een nacht de buurman in haar gang tegen was gekomen. De volgende dag kwam ze erachter dat dit onmogelijk was: hij bleek die nacht te zijn overleden.

Aan deze wonderlijke anekdote heb ik een levenslange fascinatie voor het persoonlijke spookverhaal overgehouden. Niet zozeer de mythes, de djinns, de witte wieven, de bokkenrijders, maar de oma’s die dode buurmannen zien, de vrienden die een doorschijnende dame over straat zien lopen.

Ik geloof hartstochtelijk in spookverhalen, en ik geloof iedereen die weleens een geest heeft gezien op z’n woord – of ik ook in geesten geloof is een tweede. Het mooie van spookverhalen is, naast dat het heerlijk is om een spannend verhaal te horen, dat mensen ze in veel gevallen al vertellend repeteren. Een keer tijdens een etentje, dan tijdens een wandeling, voor nieuw publiek in de kroeg; ze leren spanning opbouwen, ze weten precies wanneer ze zich al dan niet willen verontschuldigen voor hun bijgeloof, ze laten op het juiste moment een stilte vallen. Ze weten welke details (het kraken! Het weer!) ze kunnen vergroten. Ze passen de verhalen in een spookverhalenmal of gaan er zelf mee aan de haal.

Er wordt wel gezegd dat er in Nederland, of het Westen, geen orale verteltraditie is. Ik denk dat die er wel is, maar kleiner, anekdotischer zo je wilt, in verhalen als deze.

Omdat het flauw is om die zorgvuldig vertelde verhalen zomaar over te schrijven en zelf met de eer te strijken, heb ik een aantal van de verhalen die mensen me vertelden herschreven vanuit het gezichtspunt van de geest in kwestie. Ook omdat het me een mooi idee lijkt: wij, de levenden, vertellen over de doden, maar als die doden daadwerkelijk ronddolen hebben ze misschien zelf ook wel iets te vertellen. En: heeft een geest een lichaam? Maakt hij zich nog druk over zijn gewicht? Kun je lol beleven aan bange tieners? Het zijn interessante vragen om over na te denken.

Veel dank aan Gerry Sytsma (✝), Ted Hyunhak Yoon, Tom Kok, Atze van Rijswijk, Jessica Segall en Elisa Caldana. Ook zeer veel dank aan het Nederlands Letterenfonds en de Jan Van Eyck Academie en al haar medewerkers en deelnemers, voor de prettige tijd en mooie verhalen bij het vuur. Veel dank aan cultureel centrum Mandril (Maastricht) voor de mogelijkheid tot het bouwen van dat (kamp)vuur.

[foto: Erik Lindner]

De onvermoeibaren

Nieuwe dingen in de letteren zijn altijd problematisch, de sector is voor een groot deel wonderlijk conservatief terwijl er ook heel vaak geroepen wordt dat ‘de urgentie’, ‘het engagement’, ‘de strijdlust’, ‘de inhoud’ ontbreekt. Dat wordt dan geroepen naar jonge auteurs (die zijn immers ook nieuw) en andere millennials, althans, dat zou je denken, maar als die dan daadwerkelijk actie ondernemen blijkt dat ook weer niet de bedoeling te zijn, dus feitelijk wordt er naar helemaal niemand geroepen maar slechts vanuit archiefkasten instemmend tegen elkaars oude witte porum gerocheld middels belegen (social media) kanalen.

Ik chargeer, doe dat hartstochtelijk, blijf dat ook doen, de nuance haalt u maar even uit uw eigen navel – ik ben in de literaire sector nog minstens dertien jaar een jonge auteur (wat helemaal nergens op slaat, en als vrouw ga je vervolgens vrij vlug over op ‘oud en niet volledig serieus te nemen’, waar je als man met twee rimpels, een grijze haar en een nostalgische roman ineens ‘erudiet’ wordt, dit terzijde) en neem het er even van.

Goed, engagement en de urgentie (twee woorden die net zo hol zijn geworden als de koppen van vastgeroeste literatoren, enfin): op 5 maart lanceerde de splinternieuwe uitgeverij Chaos haar eerste boek: Een kamer voor jezelf (Virginia Woolf). Chaos profileert zich als ‘een jonge, feministische en intersectionele uitgeverij’. Op zich niet wereldschokkend: feministische uitgeverijen en groeperingen kunnen zelfs ouwe zeurpieten zich nog uit vroegere tijden herinneren, hoewel de toevoeging ‘intersectioneel’ wellicht/helaas wat zeldzamer is. Wereldschokkend is wel dat zo’n uitgeverij nog nodig is, en het allerwereldschokkendst (en vreemd genoeg tegelijkertijd verschrikkelijk voorspelbaar) is de facebookreactie die haar bestaan uitlokt bij Joost Nijsen, van Uitgeverij Podium:

‘Begrijp dit niet. Vrouwelijke en niet-witte auteurs bevolken momenteel juist royaal alle Nederlandse fondslijsten. Die arme witte mannelijke schrijver, denk ik wel eens (maar dan moet hij maar beter zijn best doen; vooral jonge witte Nederlandse mannen tonen momenteel weinig sturm und drang). En dan nu een feministische uitgeverij beginnen, ‘intersectioneel’ nog wel? Weird. Maar het mag allemaal hoor, en wie weer komen daar nog een paar hele mooie boeken uit.’

De reacties onder zijn opmerking zijn op het moment dat ik dit schrijf instemmend. Vermoedelijk omdat de vrouwelijke en niet-witte auteurs in kwestie zijn gestikt in hun ontbijt, of flauwgevallen van het rollen met de ogen, of de drager waarop ze dit bericht lazen tegen een muur hebben gesmeten, of al vijf keer zijn begonnen aan een weerwoord maar in gedachten het oerdomme seksisme en racisme dat ze ten deel zal vallen maar niet weggeschreven krijgen, of denken: het heeft geen zin, wat ik ook schrijf, het is bij voorbaat niet waar, en uiteindelijk verzandt die discussie gewoon weer in dat iedereen het er hoe dan ook over eens is dat literaire kwaliteit het allerbelangrijkst is in literatuur.

Althans, dat zijn de fases (een zelfstandige meid is op een heimlichmanoeuvre voorbereid) die ik doorliep. Ik wilde iets zeggen, de moed zonk me in de schoenen. Ik denk dat het niet waar is, van die fondslijsten – zeker niet op het vlak van niet-witte schrijvers. Had ik maar cijfers, dacht ik. Telde de Lezeres des Vaderlands nog maar. Want als er ergens om geroepen wordt in discussies als deze, zijn het ‘harde cijfers’.

Misschien moest ik zelf gaan tellen: de fondslijsten van alle Nederlandse en Vlaamse uitgeverijen, hoeveel mannen en vrouwen daar werken en welke kleur ze hebben, en het gaat natuurlijk helemaal niet om die fondslijsten dus ook de recensies, de recensenten, de literaire prijzen en hoe zich die in status en bedragen tot elkaar verhouden, wie die prijzen winnen, wie er in de jury zitten. Hoeveel manuscripten er door mannen en vrouwen worden ingezonden naar uitgeverijen. Of die allemaal gelezen worden en door wie. Hoeveel jongens en meisjes in aanraking komen met literatuur. Welke voorbeelden ze hebben. Of ze gemotiveerd worden. Of ze er stil bij hebben gestaan dat boeken ook over hen kunnen gaan, of geschreven kunnen worden door mensen die op ze lijken… verdomd, gleed ik zo die cijfers uit.

Cijfers zijn belangrijk en veelzeggend. Maar naast ’t feit dat ik geen tijd heb om me over dit telwerk te buigen (‘dan maak je maar tijd’ – oké brb even al mijn werk afzeggen en onder een brug gaan wonen) gaat het hier ook om ontelbare mechanismes die je mensen gewoon niet aan hun botte verstand gepeuterd krijgt.

Het wordt wel geprobeerd. Schrijver Tjitske Jansen (ze is lang niet de enige) voert al tijden een strijd, ook weer op Facebook, waarin ze verontwaardigd wijst op bijvoorbeeld het gebrek aan vrouwelijke genomineerden voor literaire prijzen, of al die kerels (en bijna geen vrouw) die op een Boekenweeklijst worden uitgelicht. Uiteraard (en terecht) wordt daar vaak op gereageerd met een roep om cijfers. Maar ook – je gelooft het gewoon niet – met de opmerking dat mannen waarschijnlijk gewoon beter kunnen schrijven.

Tsja. Als je aan bijvoorbeeld het lekker-tellen-archief van De Lezeres de conclusie verbindt dat ‘mannen nu eenmaal beter kunnen schrijven’ omdat ze meer besproken worden, ben je al niet meer aan het tellen – dan ben je aan het interpreteren. Dat doe ik nu ook, dat weet ik ook wel, maar als we elkaar dan toch met interpretaties om de oren slaan dunkt me dat iedereen daaraan mee mag doen.

Ik beschrijf wat Jansen doet als strijd, maar eigenlijk is dat een moeilijk woord – het lijkt te impliceren dat iemand het onderspit moet delven, afgemaakt moet worden. Of: het kan zo opgevat worden. Het wórdt zo opgevat – de reactie op feministische uitingen, of ze nu genuanceerd zijn of gechargeerd, rustig of woedend, is niet zelden een ‘o, dus nu mogen de mannen niet meer?’.

Jezus Christus, kerels, natuurlijk wel. Vooruit: het is misschien een beetje vervelend dat je wijfjes niet meer zomaar bij hun tieten mag grijpen op de kerstborrel en dat je geen ‘neger’ meer mag zeggen en dat jouw bloedserieuze uiting over ‘de intellectuele onvermogens van de vrouw’ met hoongelach in ontvangst wordt genomen, maar (en ik ren even de literatuur uit) als je nu ineens ‘bang wordt om tegen vrouwen te praten’ heb jij  een probleem, namelijk met het feit dat vrouwen kennelijk zo mijlenver van je afstaan dat je denkt dat je ze moet behandelen als een gevaarlijke diersoort met allemaal enge slagtandjes in plaats van potentieel neutrale gesprekspartner, echt waar, ‘lekker weertje’ kun je tegen iedereen zeggen, de truc is feitelijk gewoon het bij je houden van die enge röntgenblik (zie ook deze). Maar natuurlijk mag je nog! Schrijf die midlifecrisisroman! Verdiep je in de wittemannenfilosofen! Graag! Dat heeft waarde, is mooi, is prachtig! Maar waarom, in vrédesnaam, is het zo’n enorm probleem als een groep mensen besluit te benadrukken dat er ook andere stemmen zijn, andere mensen gerepresenteerd moeten worden, gehoord willen worden, gelezen willen worden, willen lezen? Let wel: óók. Niet: ‘alleen maar’.

Vergeef me al het afdwalen en uitweiden – of niet, als je het maar niet aan mijn sekse wijdt. Zie je wat hier gebeurt? Ik doe iets wat mogelijk kritisch ontvangen kan worden. Dat is geen probleem. Wel problematisch is dat ik reacties als ‘vrouwen kunnen niet helder formuleren door [vul hier iets over hormonen, baarmoeders, oermensen in]’ of ‘zeker ongesteld’ of insinuaties over mijn seksuele voorkeur of hoe ik ‘in de markt lig’ (‘ze hep kort haar!’) automatisch incalculeer. Dat is, kan ik je vertellen, vreselijk hinderlijk en raakt een belangrijk punt:

Het is zo allemachtig frustrerend om niet serieus genomen te worden omdat je afwijkt van wat een te groot deel van de mensen (vaak onbewust) als standaard ziet. Het is zo klote om jezelf niet als meer dan stereotype of figurant terug te vinden in wat je leest over de wereld.

Dit schrijf ik niet omdat ik mezelf zielig vind – over positieve en serieuze aandacht voor mijn roman heb ik niets te klagen, en hoewel spaarzamer dan je zou denken, er lopen in de geschreven literatuur heus zelfredzame witte vrouwen rond. Meer dan zwarte mannen en vrouwen, wil ik zeggen, en transvrouwen -en mannen. En nee, ik lees niet alleen om mezelf te vinden, maar is het niet fijn om soms in een boek (of film, of serie, of het nieuws) tegen jezelf aan te lopen? Of tegen wie je zou willen zijn, of kunnen worden, of goddank niet bent geworden? Ik (en ik beloof dat ik straks weer uit mijn eigen navel kruip) weet nog wanneer dat voor mij heel, heel erg belangrijk was: namelijk rond mijn veertiende, toen ik in mijn eentje stiekem alle homoplanken en de halve sociologie-afdeling van de Openbare Bibliotheek uitlas in de hoop gelijkenis te vinden, richting, een bewijs van mijn bestaan, en ook een toekomstbeeld waarin ik niet noodzakelijk Ellen DeGeneres of Mathilde Santing was. Ook nu vind ik het nog wel eens jammer dat ik nauwelijks boeken of films tegenkom waarin een vrouw alsof het de normaalste zaak van de wereld is zowel op mannen als vrouwen kan vallen, zonder dat dit gelijk ontaardt in kinky taferelen vol voorbinddildo’s, of zonder dat dat Het Hele Plot is. Hoewel Het Hele Plot ook al een cadeautje zou zijn.

En: ondanks het feit dat mijn schrijven regelmatig serieus genomen wordt, merk ik vaker dan me lief is dat De Schrijvende Vrouw nog steeds (naast de gebruikelijke vieze) wat vreemde reacties uitlokt.

‘Dus jij hebt ook een boekje geschreven’

‘Ben jij een van die jonge dichteressen?’

‘Ik lees geen vrouwen.’

‘Ja, ze zoeken bij elke uitgeverij mooie jonge vrouwen nu, he?’

‘Nou, jij weet tenminste zeker dat je níet om je uiterlijk een contract hebt binnengesleept.’

‘Nou, die lezing viel alles mee, we dachten nog: “wat kan zo’n meisje nou te zeggen hebben.”‘

Nu moet ik me indekken want ook mannen krijgen weleens een rotopmerking en ben ik een zacht (vrouwelijk, emotioneel, hysterisch) ei soms? Neen, ik loop niet permanent gekrenkt rond. Ja, ik vind ook dat je er te hard over kunt zeiken (dus ik dacht, ik doe het in één keer, de nada). Maar deze shit is structureel. Voor mij, voor heel veel anderen, die als ze gekleurd, trans, allochtoon of anderszins ‘anders’ zijn per afwijking van de standaard meer shit over zich heen krijgen en meer deuren voor zich zien sluiten.

Niet allemaal in gelijke mate, niet iedereen zit ermee, dat hoeft ook niet, maar veel mensen wel en die willen daar wat aan doen. Die willen uit de marge, maar moeten eerst, en weer, altijd wéér, die marge zichtbaar maken.

Het is een godsgeschenk dat er ook nu mensen een feministische, intersectionele uitgeverij beginnen. Dat zij en anderen vorm en inhoud in de volle breedte vieren, dat er onvermoeibaren in discussie blijven gaan. Dat er mensen zijn die zeggen: hier zijn we, we komen eraan, hoewel we er al de hele tijd waren, maar goed, met onze woorden en geschiedenissen en verlangens, met gevoeligheden en humor, met vallen en opstaan, voorzichtig en met trompetgeschal, hier zijn we, we bestaan en hebben een stem en zijn meer dan alleen kut, kleur of seks en hier, hier, hier, nu, nu, nu, kun je dat horen.

Dat gerochel uit die archiefkasten moet te overstemmen zijn.

*

vermoeid wolkje

Hij stond in zijn plantsoenendienstpak, precies in een bijzonder gure bocht van het pad, in de bevroren berm te prikken met een hark. Zo nu en dan bukte hij, raapte voorzichtig met zijn dikke handschoenen iets op, stopte dat in een diepvriestas.
Normaal gaat het andersom: de plantsoenendienst hoort naar mij te roepen, van lekkerweertjelacheenskopjekoffiebaby maar nu deed ik het.
‘Allemachtig,’ dampte ik vanachter mijn sjaal, ‘is het niet veel te koud?’
‘Moet toch gebeuren,’ zei de man, hij zocht nu iets verder de berm in, wroette tussen wit uitgeslagen gras en hard geworden hondendrollen. Weer vond hij iets, weer die zak in.
‘Nou en,’ antwoordde ik, ineens volledig bereid de barricades op te gaan, misschien vooral omdat ik hoopte dat die barricades verwarmd zouden zijn, ‘dit is onmenselijk!’
De man ademde een vermoeid wolkje mijn richting op en ik schaamde me – het laatste wat zo’n kerel nodig heeft is een wildvreemde vrouw die duidelijk niet aan het werk is en hem vanuit een dikke winterjas toeroept hoe zwaar hij het heeft.
Hij liep een stukje verder, zei: ‘Als het opwarremt zijn we nog verder van huis, ofniesoms?’
Achter hem zag ik een oude krant over het ijs waaien. Bij iedere windvlaag traanden onze ogen, alsof we elkaar ontroerden of voor altijd afscheid namen. Ook voor deze gedachte geneerde ik me – lekker pathetisch doen in de knispervrieskou, hou toch op.
‘Bedoelt u,’ ik bleef praten, ondanks mezelf, ‘als de aarde verder opwarmt?’
Nog zo’n wolkje, kreeg ik van hem. Bij nader inzien niet vermoeid maar een beetje gelaten, zo’n zucht die fietsenmakers slaken als ze zien dat je zelf hebt geprobeerd je versnellingen te verstellen, of tandartsen die voor de zevenhonderdste keer uitleggen hoe belangrijk flossen is. Andermaal boog de man zich, raapte, bekeek de vondst in de kom van zijn handschoenhand, monsterde mij, of eigenlijk: de sjaal die ik tot onder mijn ogen had opgetrokken, bestudeerde nog eens wat hij teder vasthield.
‘Is -ie van jou?’ vroeg hij, en toonde mij de neus – een fijn neusje met een zilveren knopje erin.
‘Nee,’ zei ik, zowel ontdaan als vereerd, ‘die van mij is veel roder en hij druipt.’
Een voor een hield hij nu de bermneuzen uit de dievriestas omhoog. Bij de bruine en erg grote of pokdalige exemplaren zei hij zelf steeds vast ‘ook niet’ en dan zei ik ‘nee’ en nadat we ze allemaal gezien hadden trok de man verontschuldigend zijn schouders op.
‘Jammer,’ zei hij, ‘had toch gescheeld.’
Hij gaf me flyertje met daarop het nummer van het gemeentelijke neuzendepot aan de westelijke stadsrand. Afhalen alleen met geldig legitimatiebewijs en een recente portretfoto, betalen (€22,50) alleen met pin of creditcard.
‘Laten opsturen kan ook,’ legde hij behulpzaam uit, ‘kost wel ietsje duurder, maar als ik u was zou ik het wel weten in die rotkou. Je blijft aan de gang.’
Ik zag gelijk wat hij bedoelde. Het orendepot, vermeldde de flyer, is wegens ruimtegebrek verhuisd naar een andere kille rand van de stad.
‘Heel erg bedankt,’ zei ik hem welgemeend, ‘ik had geen idee!’
‘Joe,’ deed hij, en toen ik me omdraaide om naar huis te gaan: ‘Als -ie er weer aanzit bakkie koffie?’

8 maart: boekpresentatie ‘Wat ben ik meer dan stilte’

[English below]
Op 8 maart, om 15:00 uur, wordt in de schrijversstudio aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht een boekje van mijn hand gepresenteerd: Wat ben ik meer dan stilte – verhalen van geesten. 

De verhalen en gedichten in de kleine bundel zijn het resultaat van een vraag die ik een tijdlang aan de mensen om me heen stelde: ‘Heb je weleens een geest gezien?’

Of ik, of degene die ik sprak, daadwerkelijk geloofde in die geesten deed er niet toe – de verhalen, daar was ik benieuwd naar. En ik kreeg ze: een geest in een Koreaans ziekenhuis, een verschijning in een Nederlandse slaapkamer, een demon in een Argentijnse klerenkast…

De mensen die me hun spookverhaal toevertrouwden waren verbaasd, geschrokken of geamuseerd. Ik vroeg me af: hoe zouden de spoken in kwestie het beleven? Nog steeds doet de vraag ‘is het echt’, of ‘geloof je erin’ er hier weinig toe, trouwens. Het verhaal als gegeven, maar ook als literaire constructie – waarin je je als het nodig is nog in een stoelpoot in moet kunnen leven – dat doet ertoe.

Ik herschreef de anekdotes (een fijne verhaalvorm) die ik hoorde tot verhalen en gedichten vanuit het standpunt van de geest in kwestie.

Om met veel plezier het verhaal te vieren. Dat er verteld wordt, geluisterd, gegriezeld, verwonderd, en dat dit echt nog altijd en voor altijd, terloops of nadrukkelijk, overal gebeurt.

[Met dank aan: Van Eyck, Nederlands Letterenfonds, Ben Remkes Cultuurfonds – Illustraties: Sophie Schmidt – Grafisch ontwerp: Christophe Clarijs & Celine Mathieu – Redactie: Erik Lindner – Vertaling: David McKay]

On March 8th, at 3:00 p.m., a short anthology of mine will be presented in the writers studio located at the Jan van Eyck Academy in Maastricht: What am I now but silence – Ghosts’ stories. 

The stories and poems in this anthology stem from a question I posed to the people around me: ‘Have you ever seen a ghost?’

Whether I, or the person whom I was talking to, believed in those ghosts didn’t matter – I was curious about the stories. I got what I asked for: a ghost in a Korean hospital, an apparition in a Dutch bedroom, a demon in an Argentinean closet…

The people who entrusted me with their ghost stories were surprised, startled or amused. It made me wonder: how would ghosts experience these encounters? Nevertheless, the question ‘is it real’ or ‘do you believe in this’ doesn’t really matter. The story as a given, but also as a literary construction – where you can even empathize with a chair leg, if needed – is what truly matters.

I rewrote those anecdotes (excellent story form) into stories and poems from the perspective of the ghosts.

To gleefully celebrate the story itself. To have it be told once more, listened to, with shivers down your spine, amazed, and that this really still keeps happening and will continue to do so, casually or purposefully, everywhere around the world.

[Thanks to: Van Eyck, Nederlands Letterenfonds, Ben Remkes Cultuurfonds – Illustrations: Sophie Schmidt – Graphic design: Christophe Clarijs & Celine Mathieu – Editor: Erik Lindner – Translation: David McKay]

damesemisoftboothockeyschaats

Er komen, uiteraard, steeds meer zaken bij waardoor ik me een beetje belegen voel. Zo volg ik geen vloggers, heb ik vorige week ‘op me monnie’ gegoogeld en werd alweer jaren geleden een jongen die me nafloot terechtgewezen door zijn vrienden want ‘zij is tantoe oud’. Ook zaken die de brulfeminist in me oproepen blijven zich opstapelen, van Thierry Baudet tot het feit dat ik me voor écht warme truien en broeken met zakken waar meer dan een anticonceptiepil inpast tot de mannenafdeling moet wenden.

De schaats, beste mensen, is een catastrofale combinatie van die twee.

Ongeveer tachtig jaar geleden heb ik leren schaatsen van mijn vader, eerst op Friese doorlopers die na vier slagen aan de zijkant van mijn schoenen hingen (klompen had ik dan weer niet), daarna op noren die al zevenhonderd jaar in de familie zaten maar nog steeds, of juist daarom, van keihard leer waren en zelfs op tochten naar Abcoude de warmte van mijn zweetpoten niet binnen konden houden, waardoor ik altijd met een speelkaart tussen mijn bebloede blokken voet-ijs en de hiel van de schaats reed. Ben ik zo oud dat ik hier nostalgisch van word? Nee, man. Wel van het geluid van ijs onder ijzer, het riet, die heldere brom die vrieslucht is, het uitzinnige geluk van eindelijk pootje-over te kunnen, de herinnering aan mijn schaatsende vader die wolken blaast, maar niet van de schaatsen zelf. Na een tijd groeide ik uit die noren en waren er wel nog kunstschaatsen in mijn maat – die schaatsentas op zolder was werkelijk een wonder – die waren net zo koud en hard, met als enige verschil dat ik de hele tijd op m’n muil ging omdat er karteltjes op zitten, waar bij noren gewoon het schaatsijzer doorloopt. Schaatsen, een enkel slechtgeslepen huurgeval daargelaten, heb ik al zeker twintig jaar niet meer aangeraakt.

Ik dwaal af.

Na een voorbarig depressietje wegens het feit Dat Het Volgende Week Gaat Vriezen besluit ik geheel tegen mijn zwart gemoed in er ‘dan maar het beste te van maken’ en, ‘misschien ligt er ergens wel een plas dicht’, schaatsen aan te schaffen. IJshockeyschaatsen, want voor Tochten Naar Abcoude wintert het toch niet meer hard genoeg (in koor: ‘tegenwoordig, in dit land’). Ondanks mijn hoge leeftijd besluit ik ook dat ik deze IJshockeyschaatsen online aan wil schaffen, want naast bejaard ben ik ook lui en impulsief. Na jaren van halstarrig herenracefietsjes ontdekte ik dat een damesmodel gezien mijn geringe spanwijdte toch echt comfortabeler is*. Na decennia herenskates gaf ik toe dat mijn voeten erg smalle vrouwenvoeten zijn. Dus, om lang verhaal nog iets langer te maken, tik ik op De Internet in: ‘hockeyschaats dames’.

Niet alleen blijkt dat schaatsen er tegenwoordig (in dit land #waarzijndetradities) uitzien als futuristische combinaties tussen een raket, een traplift en een outfit van Lady Gaga waardoor ik mijn zoekterm moet veranderen in het half pornografische ‘hockeyschaats dames semi-softboot’, ook blijkt dat de algoritmes van De Google voor mij bepalen dat ik daarmee bedoel: kunstschaats.

Nee, Google, je gaat zelf maar lekker plat op je bek terwijl alle buurjongetjes gierend van het lachen pootje-over gaan.

Als het me na enige omzwervingen lukt om dan toch die (betaalbare, ik herhaal, goedkope, ik herhaal: als ik rijk was liet ik ze wel op maat gieten) dameshockeyschaatsen tevoorschijn te internetten, blijkt dat het óf toch geen damesschaatsen zijn, OF DAT ZE WIT MET BLOEMETJES ZIJN OF WIT MET ROZE GESPJES OF ROZE MET EEN GLITTERTAMPON EROP EN DE MEDEDELING ‘PAS OP ZWENKT UIT HURHURHUR’.

Fuck it, echt**. Als het dichtvriest en u me zoekt: ik zit binnen, in een warme mannentrui, mijn enorme mannenzakken (there, I’ve said it) vol met o.a. de Russische Bibliotheek (het moest er maar eens van komen), snacks, een windhond en veel smart, te wachten tot het lente is.

 

*Ik vind het altijd een beetje moeilijk om iets over fietsen te schrijven omdat er naast echte nazi’s, feminazi’s, taalnazi’s en speciaalbiernazi’s, ook een bijzonder grote groep fietsnazi’s bestaat, en dan niet van het soort dat ze jat, maar het soort dat op een spaak wijst en zegt dat die HELEMAAL van het verkeerde materiaal is gemaakt en dat je zo net zo goed kunt proberen om op een nietmachine De Tour te gaan rijden. Vandaar even de disclaimer: nee, ik heb niet ALLE herenfietsjes geprobeerd en ja ik WEET dat het op de micromillimeter aankomt maar God Jezus Allemachtig láát me, laat me gewoon lekker op mijn damesnietmachine zitten, merci.

**Hoi schaatsnazi’s! Ja, natuurlijk kun je heus wel ergens in een hoekje van internet 1 goedkope damesemisoftboothockeyschaats kopen, en uiteráárd bestaat de mogelijkheid tot kinderschaats en túúrlijk unisex blaat piep tuut maar dude (m/v/x), het gaat me even om de bloemetjes, karteltjes en aannames hier, merci again.

*

vocabulaire

De westerwind waait over de stad. Metrolijnen ingekort, tunnels afgesloten, daar merken we niks van in ons geïsoleerde stukje Amsterdam. Zorro de Spaanse windhond en ik gaan naar het vaste uitlaatveld; onderweg zien we een grote rat onder een auto schieten. Zorro mag er even naar kijken. Ik praat vaak tegen hem als we samen lopen. ‘Wat een mooie rat,’ zeg ik. Of ‘wat een geweldige bus!’ want hij wil altijd even stilzitten en naar bus 33 kijken als die passeert. Sommige chauffeurs zwaaien naar hem, ook de ouwe knorrepotten die mij bij het instappen afkeurend aankijken omdat ik een kop heb die bepaalde kerels niet aanstaat. Volgens mij kent Zorro het woord bus. Auto kent hij ook, want hij vindt het leuk om vanaf de achterbank van de Twingo naar buiten te kijken. Brokjes, slokje water, Zorro nee, sok.

Nu lopen we niet langs de busroute maar langs een basisschool die volgende week weer open gaat. In de warmverlichte lokalen zijn vrouwen bezig met het ophangen van versieringen en Zorro mag van mij niet tegen een speeltoestel aan plassen. ‘Nee hè,’ zeg ik en ik weet heus wel dat ik niet de hele tijd tegen die hond moet ouwehoeren, dus daarna houd ik mijn mond. Ik herinner me het weer naar school gaan na de kerstvakantie: de geur van natte jassen, bruine boterhammen en glitterlijm en in de schoolhal de koffie-en-sigarettengeur die uit de lerarenkamer kwam. Regenlaarzen waarin je sokken afzakken. Nostalgisch word ik er niet van, trouwens, ik vond het helemaal niet leuk om naar school te gaan en in regenlaarzen krijg je koude voeten.

Na het uitlaten – het beest gaat los, rent hysterisch rondjes, bijt andere honden stiekem in hun konten, heeft een vast maatje waarmee hij altijd over politiek blaft, een blije labrador die zijn gebit schoonlikt en een vriendin waar hij mee gaat knokken – lopen we de busroute naar huis.  Het regent en we hebben de wind tegen en er is geen bus en Zorro kijkt pissig naar me om terwijl hij aan de lijn trekt. Je moet dieren geen menselijke gedachten en gezichtsuitdrukkingen toekennen natuurlijk maar ik doe dat lekker wel want heb daar plezier in, volgens mij denkt mijn hond dat ik die regen heb aangezet, die wind heb aangezwengeld, en dat ik daarna expres heel langzaam op die stomme mensenbenen naar huis stiefel, maar niet nadat ik alle bussen heb gebeld dat ze even niet door Amsterdam-Noord mogen rijden en hij mag ook al niet de mayo uit een patatbakje likken. Hoe durf ik.

‘We zijn er bijna, kerel, dan kan je je warme mandje in,’ zeg ik. Maar dat begrijpt hij dan weer helemaal niet. Of (brokjes!) ik (brokjes!) effe (BROKJES!!1!!) op kan (brokjes?) schieten.

[foto van het beest: Irwan Droog]

Crowdfunding J.M.A. Biesheuvelprijs weer van start!

Iets meer dan vier jaar geleden richtten Irwan Droog, Arjen Fortuin, Daphne de Heer, Esther Kuijper, Edith Vroon en ik de J.M.A. Biesheuvelprijs op: een jaarlijkse prijs voor de beste Nederlandstalige verhalenbundel. Dat deden we omdat we het zonde vonden dat er weinig aandacht wordt besteed aan het genre; verhalenbundels worden weinig gelezen, verkopen niet zo goed en worden derhalve ook niet zo vlug uitgegeven. Daar wilden wij graag verandering in brengen. Ik durf voorzichtig te zeggen dat lijkt te lukken: ieder jaar weer blijken uit allerlei leesstoelen, boekhandels en uitgeverijen liefhebbers van het korte verhaal te kruipen. En te doneren, want de J.M.A. Biesheuvelprijs is de enige literaire prijs die door crowdfunding kan bestaan.

Nu hopen we volgend jaar voor de vierde keer de prijs uit te reiken. Aangezien de prijs zo’n beetje mijn literaire liefdesbaby is, hoop ik heel erg dat u zou willen meehelpen. Het liefst door middel van een donatie, natuurlijk (we moeten wel een beetje praktisch blijven) maar het enthousiast verspreiden van de campagne is ook al een fijn begin.

Ja, die campagne: hier kun je hem vinden. Lees daar vooral ook meer over de prijs, de jury, de vorige winnaars. En als u klaar bent, lees vooral een verhalenbundel! Of grasduin door het (al zeg ik het zelf) mooie archief dat inmiddels op de website van de J.M.A. Biesheuvelprijs is te vinden.