Tellen

The VIDA Count is een jaarlijkse inventaris van het percentage mannen/vrouwen (en inmiddels meer dan dat) dat in (literaire) tijdschriften publiceert.

In de VS doen ze ’t zo, tellen. En hoewel er altijd wel iemand kwaliteitsargumenten begint op te sommen en ook cijfers alle kanten op geïnterpreteerd kunnen worden, of misschien juist daarom, is zo’n telling betekenisvol – immers, de discussie over (gender/enz)gelijkheid wordt van beide kanten direct doodgemept als er niemand met getallen over de brug komt.

Je kunt gnuiverig worden van het Amerikaanse jargon (‘do you identify as disabled, trans, black, impaired, etc…’) en vinden dat dit verdelen-om-te-tellen juist die hokjesgeest in stand houdt – neemt niet weg dat het interessant is om te zien hoe het gesteld is met de diversiteit onder de schrijvers van belangrijke tijdschriften. Wat betekent dat? Hoe vind je dat de verhouding zou moeten liggen? Kun je hieraan aflezen waar je terecht kunt als lezer met behoefte aan variatie – dus niet alleen kritiek, essay, proza en poëzie van the usual suspects? Kun je hieraan als schrijver aflezen waar je vermoedelijk meer bent dan de excuusvariatie?

Zonder te willen beweren dat alles uit Amerika klakkeloos en zonder enige aanpassing overgeheveld kan worden naar hier: het zou interessant zijn als de Europese of Nederlandse periodieken ook aan een analyse als dit onderworpen zouden worden – een soort Lezeres des Vaderlands Megathunder2000plus. Maar goed, schreef de huichelaar, zelf ga ik dat dan weer niet doen, ik schrijf beter – iets waar ik de afgelopen dagen, na het (met vereende krachten) opstellen van de open brief aan de CPNB overigens niet aan toekwam. Ja, e-mails schreef ik, ongeveer 4800394. Lezen deed ik ook: van warme steunbetuigingen tot opbouwende kritiek tot mensen die vinden dat ik mijn feministische zeikmuil moet houden omdat ik geen lekker wijf ben.

Een grafiek zal iemand die zo redeneert niet op andere gedachten brengen. En toch.

De moeder de, eh

Het is hachelijk, een uitermate feminien boekenweekthema – met goede wil en een bord voor je kop zou je het dapper kunnen noemen van de CPNB, bijvoorbeeld met het recente promotieonderzoek van Corina Koolen in je achterhoofd. Zij toonde (tot grote verontwaardiging van mensen die er geen vijf jaar onderzoek in hebben gestoken) aan dat alles wat met vrouwen te maken heeft in de literatuur weliswaar heus kan verkopen, maar stelselmatig lager gewaardeerd wordt. Zie hier gelijk de tweespalt waarin de CPNB zich bevindt: de boekenverkoop moet gepropageerd worden, maar heb je het over boeken, heb je het ook over de literaire sector. Waarin verkoop onmisbaar is, maar waar ook allerlei sociale en culturele kapitaaltjes rondwaren. Simpel gezegd – en simpel stelde ik ook alles hiervoor –  Van Royen en Noort zijn verkoopknallers waar menig vijfsterrendichter met een oplage van driehonderd exemplaren desondanks over staat te gnuiven boven z’n huismerkwijntje.

Zou verkoop – het aanspreken van een zo breed mogelijk publiek – de reden zijn dat zowel de schrijver van het Boekenweekgeschenk als die van het Boekenweekessay een man is? Is De moeder de vrouw al iets te veel wijf om er ook nog een over aan het woord te laten, al is het (prachtige) gedicht ooit door een man geschreven? Ik stel de vraag alsof hij retorisch is, maar de wegen van de CPNB zijn ondoorgrondelijk, en laten we wel wezen, ze doen het daar eigenlijk nooit goed volgens alle literaire stuurlui aan wal. Je (nee, pardon: ik) moet er toch niet aan denken dat het jouw taak is een heel land tevreden te stellen met één thema en twee schrijvers – dat kan helemaal niet. Of, ook superkut: dan ben je Jan Siebelink (geschenk) of Murat Isik (essay), dan krijg je het uiterst lucratieve en prestigieuze verzoek voor de Boekenweek in de pen te klimmen, vallen al die zeikwijven(m/v/x) over je heen. Wat moet je dan doen: weigeren? Zeggen: ‘ik doe dit alleen als het andere boekje door iemand die zich identificeert als vrouw, als moeder, wordt geschreven’?

Nou ja: aangenomen dat beide auteurs met het thema bekend waren voor ze werden gevraagd, waarom niet weigeren? Maar zoiets doe je alleen als je wel eens over dit soort zaken nadenkt, je een bepaalde mening gevormd hebt, je misschien wel geneert voor het feit dat er twee kerels gevraagd worden om over vrouwen te schrijven, en je sterk verplicht voelt naar die gêne te handelen. Sterker, bedoel ik, dan voor de rest van je leven auteur van een Boekenweekgeschenk te zijn. Sterker dan, hoe je het ook wendt of keert, de enorme erkenning die dat betekent, ook voor iemand als Siebelink (laat ze maar gnuiven met hun supermarktwijntjes). En dan de vrijheid die die erkenning met zich meebrengt – natuurlijk, je hebt een jaar geen tijd om ook maar één letter op papier te zetten, maar daarna hoef je misschien nooit meer iets anders te doen dan wat je het liefste doet: schrijven.

Kun je het de schrijvers aanrekenen? Ja, maar ook weer niet zo hard, enig inlevingsvermogen is hier op z’n plaats, al kan inleven soms hard werken zijn. Bijvoorbeeld als je zoals ik hierboven heel hard probeert een beetje medelijden te hebben met de mensen van de CPNB, dat gaat dan nog nèt. Maar wat níet gaat is zo ontzettend inlevend één worden met die organisatie dat je kunt invoelen waarom de fuck deze keuze gemaakt is, hoe je – als dat nattevingerwerk van mij klopt – je godsnaam in dat tweespalt tussen commercie en cultuur kunt bevinden en kan denken: weet je wat, dit is waarschijnlijk wat ons plebsje wil en dat je dan dus geen romanpersonage van Thierry Baudet bent, maar iemand die in de Werkelijke Wereld een beslissing maakt.

De totale absurditeit en problematiek van het feit dat dit Boekenweekthema ingevuld wordt door mannen die over vrouwen schrijven, heeft kennelijk voor niemand bij de CPNB zwaar genoeg gewogen om te zeggen: ‘Hee, mensen, is het mogelijk dat we naast een man ook een vrouw vragen? Misschien een vrouw die ook moeder is? Want, nou ja, op zich, van de afgelopen tien Boekenweekgeschenken zijn er überhaupt maar twee door een vrouw geschreven? En staat niet in onze promotekst “Het thema kent twee verschillende perspectieven, die van de moeder zelf maar ook die van het kind.”? Even buiten beschouwing gelaten dat er nog veertien andere perspectieven te bedenken zijn? Anyone?’

Of is dat wel gebeurd? Zo ja, wat was het antwoord? Hier een gokje:

‘Ja zeg, we gaan die gleufdieren toch niet over zichzelflaten schrijven? Of over hun moeder? Vrouwen schrijven altijd alleen maar over gezinswissewasjes, mannen weten het moederschap veel universéler te maken!’

Waarop de spreker in kwestie zijn zomervacht schikte, op zijn mammoet stapte en vertrok. Bij het verlaten van de grot sloeg hij, bij gebrek aan deur, nijdig de muil van een drachtige koffiedame dicht.

*17-6: kleine toevoeging: in het stuk hierboven wek ik de indruk dat zowel Siebelink als Isik over het Boekenweekthema dienen te schrijven. Dat is niet waar: de schrijver van het geschenk – Siebelink dus – is vrij in zijn onderwerpkeuze. Dat neemt niet weg dat het wonderlijk is dat er met een Boekenweekthema als dit twee mannen als vlaggenschip aangesteld worden, en verandert niets aan mijn verontwaardiging, die ik goddank met velen deel.

Twee korte verhalen, een recensie en een olifant

Twee korte verhalen

Voor de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam schreef ik de afgelopen tijd twee korte verhalen die nu op de verse website, een ware literatuurgoudmijn, terug te lezen zijn.

Je moet je fiets binnenzetten‘ schreef ik voor het programma Short&Kort, waarbij schrijvers de tagline (samenvattende zin) van een hen onbekende korte film krijgen. Die van mij was “Bevreemdende situaties ontstaan wanneer een jong vluchtelingengezin na het verkrijgen van een verblijfsvergunning in een klein dorp in Nederland belandt.”

Sluit je ogen‘ is het resultaat van een science fiction-workshop van Monnik. Voor de verandering verplaatste ik mezelf niet in een geest, maar in een buitenaards wezen. Of eigenlijk: andersom.

Een recensie

Voor NRC besprak ik de verhalenbundel De hondenschool van de Hongaarse Edina Szvoren en concludeerde dat ik duidelijk geen Hongaar ben.

Een olifant

Vorige maand verscheen De olifant van de bovenbuurman. Arjan Peters besprak ‘m in De Volkskrant, op Hebban verscheen een mooie recensie van de hand van Anne Oerlemans en in HP De Tijd wordt geschreven: “Van Rijswijk (…) presenteert op droge toon telkens weer een volgende bron van geluidsoverlast. Dat werkt bijzonder komisch.” (hier een Blendle-linkje, De olifant volgt op Saskia Noort). In Het Parool en in De Morgen (tekst op aanvraag, staat niet online) verschenen interviews.

In Opium op Radio 4 sprak ik met Annemieke Bosman over (onder meer) de uitgave, en tot mijn grote vreugde draaiden ze zelfs Di Gojim.

Een soort verbale selfie (over smartphones en Facebook)

In Tijd, een zaterdagbijlage van Trouw, een artikel over drie jonge mensen zonder smartphone. Die van Auteur Anne Wijn (‘twintiger’) werd gejat: ze ervoer opluchting. De geïnterviewden schaften er nooit een aan of grepen bewust terug naar een simpeler model.

Ik denk vaak aan een filmpje uit de jaren negentig, geschoten in en rond Amsterdam Centraal, waarin mensen monter uitleggen waarom ze nooit een mobieltje aan zullen schaffen. Ze zien eruit om heimwee van te krijgen, wat helemaal nergens op slaat, dat komt gewoon omdat ik zelf de leeftijd krijg waarop ‘vroeger’ als glanzend en versimpeld geluk aan het eind van de regenboog ligt; als ik lang denk aan waar ik toen allemaal mee zat zou ik bijna een feestelijke optocht organiseren omdat ik goddank geen tiener meer ben.

Toch: de herinnering aan het filmpje komt niet voor niets zo regelmatig terug. Mijn eerste mobiele telefoon kreeg ik rond m’n zestiende, tegen m’n zin, maar ik belde zo’n beetje dagelijks (collect…) naar huis met de telefoons die op Centraal Station stonden. Als ik met mensen afsprak op het meetingpoint van datzelfde station kwamen ze steevast een halfuur te laat en dan zeiden ze ‘ja, als je nou een telefoon had, kon ik je sms’en.’ Stond ik zelf stil in metro 54, maakte ik me zorgen om wie ik liet wachten. De eerste smartphone stelde ik lang uit. Inmiddels overweeg ik iedere dag dat ding, omdat het zo groot is dat het in geen enkele zak past (of wel, maar dan kan ik niet zitten of mijn been niet buigen) een sloot in te flikkeren. Net als dat ik er al jaren naar neig m’n Facebookprofiel op te zeggen wegens moedeloosheid: al dat gekanker op alles, mensen met de selfietyfus, baby’s die ik niet ken, complotdenkers die ondanks hevig filteren mijnerzijds toch steeds weer de kop opsteken. De mens is mooi, het vreemde geweldig, maar op deze manier blijft er weinig van over. Misschien juist door dat gefilter. Enfin, wie zonder zonde is enzovoorts, ik zadel een deel van u op met dit uiterst particuliere blogje, een soort verbale selfie, via Facebook.

In het artikel van Anne Wijn las ik dat de belangrijkste reden dat ik de smartphone nog heb, precies is wat de drie smartphonelozen als grootste – maar duidelijk geen onoverkomelijk –  nadeel ervaren: de (halleluja!) navigatiefunctie. Hoewel ik heb leren kaartlezen in een tijd dat Google Maps nog toekomstmuziek was, ben ik er altijd hopeloos, stereotypebevestigend, beschamend slecht in geweest. Sinds ik weet hoe je jezelf met behulp van een telefoon in een blauw bolletje kunt veranderen dat met de kaart meeloopt is het leven zo ontzettend veel makkelijker geworden. Voor het vragen van de weg ben ik niet te beroerd, maar mensen die dit argument verbolgen op hun Facebookpagina plempen zijn duidelijk nooit analoog fietsend midden in de nacht in een diep slapend dorp, het verkeerde dorp, terechtgekomen, of door een kaartleesfoutje midden in een sneeuwstorm in de slechtste wijk van Chicago om door een goedgeluimde doch doodenge kerel vol getatoeëerde tranen onder z’n shifty eyes naar een beter oord te worden geëscorteerd (goed verhaal, maar ik had deze ervaringen best kunnen missen).

En Facebook dan? De reden dat ik daar nog ronddool deel ik met veel andere creatieven. Het is een reden waar ik me een beetje vies-plakkerig bij voel, maar wel een belangrijke: ik ben zichtbaar. Of in ieder geval: mijn werk is dat. Nu is ‘zichtbaarheid’ niet de primaire drijfveer achter wat ik doe, het krijgen van opdrachten is wél belangrijk, en ook opdrachtgevers vinden of kennen me vaak via het medium.

Het kan anders, dat zal het uiteindelijk ook wel, in ieder geval betreffende dat slepende geFacebook. De navigatiekwestie, intussen, stel ik hoe dan ook nog even uit. In het najaar ben ik terug in Chicago, vermoedelijk als het gelukkigste blauwe bolletje in het stratenplan.

[foto: een analoge spiegelselfie]

De olifant van de bovenbuurman

Voor wie zich afvraagt wat de bovenburen in vredesnaam allemaal doen om zo veel geluid te produceren.

Roos van Rijswijk woonde jarenlang onder een enorme herrieschopper; wat er daarboven werd uitgevoerd, was haar altijd een raadsel. Het leek wel alsof… ja, het móést wel een olifant zijn, die ’s nachts tapdanst, aan karaoke doet en met de bovenbuurman een luidruchtige kangoeroe heeft geadopteerd. Soms hebben ze ruzie, maar meestal is het leven één groot feest. Ze schreeuwen hun gesprekken boven de muziek uit, schuren even lekker de verwarmingsbuizen om te ontspannen en legen af en toe een zak knikkers op de laminaatvloer.

Van Rijswijk liet zich inspireren door de ontspannende klanken van de zelfgemaakte bowlingbaan van de bovenbuurman, het getrompetter van de olifant en de sprongen van de kangoeroe. Ze schreef de avonturen van het wonderlijke drietal op; samen met de illustraties van Sylvia Weve vormen ze een idyllische schets van hun kakofonische geluk. Wie wil daar nu niet onder wonen?

Vanaf 17 april 2018 verkrijgbaar bij boekhandels en online.

Wat ben ik meer dan stilte

Een kleine oplage, gedrukt aan de Van Eyck Academie. Spookverhalen en spookgedichten, door ’t spook verteld. Tweetalig (Nederlands/Engels – 48 pagina’s). Onder redactie van Erik Lindner. Vertaling door David McKay, Illustraties Sophie Schmidt, ontwerp en druk Christophe Clarijs en Céline Mathieu. Mogelijk gemaakt door Ben Remkes Cultuurfonds.

Te verkrijgen door:
– Een abonnement te nemen op Terras, dan krijg je het boekje erbij! http://tijdschriftterras.nl/abonnement-1-jaar/

– Mailen naar info@janvaneyck.nl, onder vermelding van bestelling Roos van Rijswijk, Wat ben ik meer dan stilte. Kosten: 15 euro.

Dit is de inleiding:

Jaren geleden vertelde een van mijn oma’s, een nuchtere Friezin zonder neiging tot religiositeit of griezelen, dat ze op een nacht de buurman in haar gang tegen was gekomen. De volgende dag kwam ze erachter dat dit onmogelijk was: hij bleek die nacht te zijn overleden.

Aan deze wonderlijke anekdote heb ik een levenslange fascinatie voor het persoonlijke spookverhaal overgehouden. Niet zozeer de mythes, de djinns, de witte wieven, de bokkenrijders, maar de oma’s die dode buurmannen zien, de vrienden die een doorschijnende dame over straat zien lopen.

Ik geloof hartstochtelijk in spookverhalen, en ik geloof iedereen die weleens een geest heeft gezien op z’n woord – of ik ook in geesten geloof is een tweede. Het mooie van spookverhalen is, naast dat het heerlijk is om een spannend verhaal te horen, dat mensen ze in veel gevallen al vertellend repeteren. Een keer tijdens een etentje, dan tijdens een wandeling, voor nieuw publiek in de kroeg; ze leren spanning opbouwen, ze weten precies wanneer ze zich al dan niet willen verontschuldigen voor hun bijgeloof, ze laten op het juiste moment een stilte vallen. Ze weten welke details (het kraken! Het weer!) ze kunnen vergroten. Ze passen de verhalen in een spookverhalenmal of gaan er zelf mee aan de haal.

Er wordt wel gezegd dat er in Nederland, of het Westen, geen orale verteltraditie is. Ik denk dat die er wel is, maar kleiner, anekdotischer zo je wilt, in verhalen als deze.

Omdat het flauw is om die zorgvuldig vertelde verhalen zomaar over te schrijven en zelf met de eer te strijken, heb ik een aantal van de verhalen die mensen me vertelden herschreven vanuit het gezichtspunt van de geest in kwestie. Ook omdat het me een mooi idee lijkt: wij, de levenden, vertellen over de doden, maar als die doden daadwerkelijk ronddolen hebben ze misschien zelf ook wel iets te vertellen. En: heeft een geest een lichaam? Maakt hij zich nog druk over zijn gewicht? Kun je lol beleven aan bange tieners? Het zijn interessante vragen om over na te denken.

Veel dank aan Gerry Sytsma (✝), Ted Hyunhak Yoon, Tom Kok, Atze van Rijswijk, Jessica Segall en Elisa Caldana. Ook zeer veel dank aan het Nederlands Letterenfonds en de Jan Van Eyck Academie en al haar medewerkers en deelnemers, voor de prettige tijd en mooie verhalen bij het vuur. Veel dank aan cultureel centrum Mandril (Maastricht) voor de mogelijkheid tot het bouwen van dat (kamp)vuur.

[foto: Erik Lindner]

De onvermoeibaren

Nieuwe dingen in de letteren zijn altijd problematisch, de sector is voor een groot deel wonderlijk conservatief terwijl er ook heel vaak geroepen wordt dat ‘de urgentie’, ‘het engagement’, ‘de strijdlust’, ‘de inhoud’ ontbreekt. Dat wordt dan geroepen naar jonge auteurs (die zijn immers ook nieuw) en andere millennials, althans, dat zou je denken, maar als die dan daadwerkelijk actie ondernemen blijkt dat ook weer niet de bedoeling te zijn, dus feitelijk wordt er naar helemaal niemand geroepen maar slechts vanuit archiefkasten instemmend tegen elkaars oude witte porum gerocheld middels belegen (social media) kanalen.

Ik chargeer, doe dat hartstochtelijk, blijf dat ook doen, de nuance haalt u maar even uit uw eigen navel – ik ben in de literaire sector nog minstens dertien jaar een jonge auteur (wat helemaal nergens op slaat, en als vrouw ga je vervolgens vrij vlug over op ‘oud en niet volledig serieus te nemen’, waar je als man met twee rimpels, een grijze haar en een nostalgische roman ineens ‘erudiet’ wordt, dit terzijde) en neem het er even van.

Goed, engagement en de urgentie (twee woorden die net zo hol zijn geworden als de koppen van vastgeroeste literatoren, enfin): op 5 maart lanceerde de splinternieuwe uitgeverij Chaos haar eerste boek: Een kamer voor jezelf (Virginia Woolf). Chaos profileert zich als ‘een jonge, feministische en intersectionele uitgeverij’. Op zich niet wereldschokkend: feministische uitgeverijen en groeperingen kunnen zelfs ouwe zeurpieten zich nog uit vroegere tijden herinneren, hoewel de toevoeging ‘intersectioneel’ wellicht/helaas wat zeldzamer is. Wereldschokkend is wel dat zo’n uitgeverij nog nodig is, en het allerwereldschokkendst (en vreemd genoeg tegelijkertijd verschrikkelijk voorspelbaar) is de facebookreactie die haar bestaan uitlokt bij Joost Nijsen, van Uitgeverij Podium:

‘Begrijp dit niet. Vrouwelijke en niet-witte auteurs bevolken momenteel juist royaal alle Nederlandse fondslijsten. Die arme witte mannelijke schrijver, denk ik wel eens (maar dan moet hij maar beter zijn best doen; vooral jonge witte Nederlandse mannen tonen momenteel weinig sturm und drang). En dan nu een feministische uitgeverij beginnen, ‘intersectioneel’ nog wel? Weird. Maar het mag allemaal hoor, en wie weer komen daar nog een paar hele mooie boeken uit.’

De reacties onder zijn opmerking zijn op het moment dat ik dit schrijf instemmend. Vermoedelijk omdat de vrouwelijke en niet-witte auteurs in kwestie zijn gestikt in hun ontbijt, of flauwgevallen van het rollen met de ogen, of de drager waarop ze dit bericht lazen tegen een muur hebben gesmeten, of al vijf keer zijn begonnen aan een weerwoord maar in gedachten het oerdomme seksisme en racisme dat ze ten deel zal vallen maar niet weggeschreven krijgen, of denken: het heeft geen zin, wat ik ook schrijf, het is bij voorbaat niet waar, en uiteindelijk verzandt die discussie gewoon weer in dat iedereen het er hoe dan ook over eens is dat literaire kwaliteit het allerbelangrijkst is in literatuur.

Althans, dat zijn de fases (een zelfstandige meid is op een heimlichmanoeuvre voorbereid) die ik doorliep. Ik wilde iets zeggen, de moed zonk me in de schoenen. Ik denk dat het niet waar is, van die fondslijsten – zeker niet op het vlak van niet-witte schrijvers. Had ik maar cijfers, dacht ik. Telde de Lezeres des Vaderlands nog maar. Want als er ergens om geroepen wordt in discussies als deze, zijn het ‘harde cijfers’.

Misschien moest ik zelf gaan tellen: de fondslijsten van alle Nederlandse en Vlaamse uitgeverijen, hoeveel mannen en vrouwen daar werken en welke kleur ze hebben, en het gaat natuurlijk helemaal niet om die fondslijsten dus ook de recensies, de recensenten, de literaire prijzen en hoe zich die in status en bedragen tot elkaar verhouden, wie die prijzen winnen, wie er in de jury zitten. Hoeveel manuscripten er door mannen en vrouwen worden ingezonden naar uitgeverijen. Of die allemaal gelezen worden en door wie. Hoeveel jongens en meisjes in aanraking komen met literatuur. Welke voorbeelden ze hebben. Of ze gemotiveerd worden. Of ze er stil bij hebben gestaan dat boeken ook over hen kunnen gaan, of geschreven kunnen worden door mensen die op ze lijken… verdomd, gleed ik zo die cijfers uit.

Cijfers zijn belangrijk en veelzeggend. Maar naast ’t feit dat ik geen tijd heb om me over dit telwerk te buigen (‘dan maak je maar tijd’ – oké brb even al mijn werk afzeggen en onder een brug gaan wonen) gaat het hier ook om ontelbare mechanismes die je mensen gewoon niet aan hun botte verstand gepeuterd krijgt.

Het wordt wel geprobeerd. Schrijver Tjitske Jansen (ze is lang niet de enige) voert al tijden een strijd, ook weer op Facebook, waarin ze verontwaardigd wijst op bijvoorbeeld het gebrek aan vrouwelijke genomineerden voor literaire prijzen, of al die kerels (en bijna geen vrouw) die op een Boekenweeklijst worden uitgelicht. Uiteraard (en terecht) wordt daar vaak op gereageerd met een roep om cijfers. Maar ook – je gelooft het gewoon niet – met de opmerking dat mannen waarschijnlijk gewoon beter kunnen schrijven.

Tsja. Als je aan bijvoorbeeld het lekker-tellen-archief van De Lezeres de conclusie verbindt dat ‘mannen nu eenmaal beter kunnen schrijven’ omdat ze meer besproken worden, ben je al niet meer aan het tellen – dan ben je aan het interpreteren. Dat doe ik nu ook, dat weet ik ook wel, maar als we elkaar dan toch met interpretaties om de oren slaan dunkt me dat iedereen daaraan mee mag doen.

Ik beschrijf wat Jansen doet als strijd, maar eigenlijk is dat een moeilijk woord – het lijkt te impliceren dat iemand het onderspit moet delven, afgemaakt moet worden. Of: het kan zo opgevat worden. Het wórdt zo opgevat – de reactie op feministische uitingen, of ze nu genuanceerd zijn of gechargeerd, rustig of woedend, is niet zelden een ‘o, dus nu mogen de mannen niet meer?’.

Jezus Christus, kerels, natuurlijk wel. Vooruit: het is misschien een beetje vervelend dat je wijfjes niet meer zomaar bij hun tieten mag grijpen op de kerstborrel en dat je geen ‘neger’ meer mag zeggen en dat jouw bloedserieuze uiting over ‘de intellectuele onvermogens van de vrouw’ met hoongelach in ontvangst wordt genomen, maar (en ik ren even de literatuur uit) als je nu ineens ‘bang wordt om tegen vrouwen te praten’ heb jij  een probleem, namelijk met het feit dat vrouwen kennelijk zo mijlenver van je afstaan dat je denkt dat je ze moet behandelen als een gevaarlijke diersoort met allemaal enge slagtandjes in plaats van potentieel neutrale gesprekspartner, echt waar, ‘lekker weertje’ kun je tegen iedereen zeggen, de truc is feitelijk gewoon het bij je houden van die enge röntgenblik (zie ook deze). Maar natuurlijk mag je nog! Schrijf die midlifecrisisroman! Verdiep je in de wittemannenfilosofen! Graag! Dat heeft waarde, is mooi, is prachtig! Maar waarom, in vrédesnaam, is het zo’n enorm probleem als een groep mensen besluit te benadrukken dat er ook andere stemmen zijn, andere mensen gerepresenteerd moeten worden, gehoord willen worden, gelezen willen worden, willen lezen? Let wel: óók. Niet: ‘alleen maar’.

Vergeef me al het afdwalen en uitweiden – of niet, als je het maar niet aan mijn sekse wijdt. Zie je wat hier gebeurt? Ik doe iets wat mogelijk kritisch ontvangen kan worden. Dat is geen probleem. Wel problematisch is dat ik reacties als ‘vrouwen kunnen niet helder formuleren door [vul hier iets over hormonen, baarmoeders, oermensen in]’ of ‘zeker ongesteld’ of insinuaties over mijn seksuele voorkeur of hoe ik ‘in de markt lig’ (‘ze hep kort haar!’) automatisch incalculeer. Dat is, kan ik je vertellen, vreselijk hinderlijk en raakt een belangrijk punt:

Het is zo allemachtig frustrerend om niet serieus genomen te worden omdat je afwijkt van wat een te groot deel van de mensen (vaak onbewust) als standaard ziet. Het is zo klote om jezelf niet als meer dan stereotype of figurant terug te vinden in wat je leest over de wereld.

Dit schrijf ik niet omdat ik mezelf zielig vind – over positieve en serieuze aandacht voor mijn roman heb ik niets te klagen, en hoewel spaarzamer dan je zou denken, er lopen in de geschreven literatuur heus zelfredzame witte vrouwen rond. Meer dan zwarte mannen en vrouwen, wil ik zeggen, en transvrouwen -en mannen. En nee, ik lees niet alleen om mezelf te vinden, maar is het niet fijn om soms in een boek (of film, of serie, of het nieuws) tegen jezelf aan te lopen? Of tegen wie je zou willen zijn, of kunnen worden, of goddank niet bent geworden? Ik (en ik beloof dat ik straks weer uit mijn eigen navel kruip) weet nog wanneer dat voor mij heel, heel erg belangrijk was: namelijk rond mijn veertiende, toen ik in mijn eentje stiekem alle homoplanken en de halve sociologie-afdeling van de Openbare Bibliotheek uitlas in de hoop gelijkenis te vinden, richting, een bewijs van mijn bestaan, en ook een toekomstbeeld waarin ik niet noodzakelijk Ellen DeGeneres of Mathilde Santing was. Ook nu vind ik het nog wel eens jammer dat ik nauwelijks boeken of films tegenkom waarin een vrouw alsof het de normaalste zaak van de wereld is zowel op mannen als vrouwen kan vallen, zonder dat dit gelijk ontaardt in kinky taferelen vol voorbinddildo’s, of zonder dat dat Het Hele Plot is. Hoewel Het Hele Plot ook al een cadeautje zou zijn.

En: ondanks het feit dat mijn schrijven regelmatig serieus genomen wordt, merk ik vaker dan me lief is dat De Schrijvende Vrouw nog steeds (naast de gebruikelijke vieze) wat vreemde reacties uitlokt.

‘Dus jij hebt ook een boekje geschreven’

‘Ben jij een van die jonge dichteressen?’

‘Ik lees geen vrouwen.’

‘Ja, ze zoeken bij elke uitgeverij mooie jonge vrouwen nu, he?’

‘Nou, jij weet tenminste zeker dat je níet om je uiterlijk een contract hebt binnengesleept.’

‘Nou, die lezing viel alles mee, we dachten nog: “wat kan zo’n meisje nou te zeggen hebben.”‘

Nu moet ik me indekken want ook mannen krijgen weleens een rotopmerking en ben ik een zacht (vrouwelijk, emotioneel, hysterisch) ei soms? Neen, ik loop niet permanent gekrenkt rond. Ja, ik vind ook dat je er te hard over kunt zeiken (dus ik dacht, ik doe het in één keer, de nada). Maar deze shit is structureel. Voor mij, voor heel veel anderen, die als ze gekleurd, trans, allochtoon of anderszins ‘anders’ zijn per afwijking van de standaard meer shit over zich heen krijgen en meer deuren voor zich zien sluiten.

Niet allemaal in gelijke mate, niet iedereen zit ermee, dat hoeft ook niet, maar veel mensen wel en die willen daar wat aan doen. Die willen uit de marge, maar moeten eerst, en weer, altijd wéér, die marge zichtbaar maken.

Het is een godsgeschenk dat er ook nu mensen een feministische, intersectionele uitgeverij beginnen. Dat zij en anderen vorm en inhoud in de volle breedte vieren, dat er onvermoeibaren in discussie blijven gaan. Dat er mensen zijn die zeggen: hier zijn we, we komen eraan, hoewel we er al de hele tijd waren, maar goed, met onze woorden en geschiedenissen en verlangens, met gevoeligheden en humor, met vallen en opstaan, voorzichtig en met trompetgeschal, hier zijn we, we bestaan en hebben een stem en zijn meer dan alleen kut, kleur of seks en hier, hier, hier, nu, nu, nu, kun je dat horen.

Dat gerochel uit die archiefkasten moet te overstemmen zijn.

*

vermoeid wolkje

Hij stond in zijn plantsoenendienstpak, precies in een bijzonder gure bocht van het pad, in de bevroren berm te prikken met een hark. Zo nu en dan bukte hij, raapte voorzichtig met zijn dikke handschoenen iets op, stopte dat in een diepvriestas.
Normaal gaat het andersom: de plantsoenendienst hoort naar mij te roepen, van lekkerweertjelacheenskopjekoffiebaby maar nu deed ik het.
‘Allemachtig,’ dampte ik vanachter mijn sjaal, ‘is het niet veel te koud?’
‘Moet toch gebeuren,’ zei de man, hij zocht nu iets verder de berm in, wroette tussen wit uitgeslagen gras en hard geworden hondendrollen. Weer vond hij iets, weer die zak in.
‘Nou en,’ antwoordde ik, ineens volledig bereid de barricades op te gaan, misschien vooral omdat ik hoopte dat die barricades verwarmd zouden zijn, ‘dit is onmenselijk!’
De man ademde een vermoeid wolkje mijn richting op en ik schaamde me – het laatste wat zo’n kerel nodig heeft is een wildvreemde vrouw die duidelijk niet aan het werk is en hem vanuit een dikke winterjas toeroept hoe zwaar hij het heeft.
Hij liep een stukje verder, zei: ‘Als het opwarremt zijn we nog verder van huis, ofniesoms?’
Achter hem zag ik een oude krant over het ijs waaien. Bij iedere windvlaag traanden onze ogen, alsof we elkaar ontroerden of voor altijd afscheid namen. Ook voor deze gedachte geneerde ik me – lekker pathetisch doen in de knispervrieskou, hou toch op.
‘Bedoelt u,’ ik bleef praten, ondanks mezelf, ‘als de aarde verder opwarmt?’
Nog zo’n wolkje, kreeg ik van hem. Bij nader inzien niet vermoeid maar een beetje gelaten, zo’n zucht die fietsenmakers slaken als ze zien dat je zelf hebt geprobeerd je versnellingen te verstellen, of tandartsen die voor de zevenhonderdste keer uitleggen hoe belangrijk flossen is. Andermaal boog de man zich, raapte, bekeek de vondst in de kom van zijn handschoenhand, monsterde mij, of eigenlijk: de sjaal die ik tot onder mijn ogen had opgetrokken, bestudeerde nog eens wat hij teder vasthield.
‘Is -ie van jou?’ vroeg hij, en toonde mij de neus – een fijn neusje met een zilveren knopje erin.
‘Nee,’ zei ik, zowel ontdaan als vereerd, ‘die van mij is veel roder en hij druipt.’
Een voor een hield hij nu de bermneuzen uit de dievriestas omhoog. Bij de bruine en erg grote of pokdalige exemplaren zei hij zelf steeds vast ‘ook niet’ en dan zei ik ‘nee’ en nadat we ze allemaal gezien hadden trok de man verontschuldigend zijn schouders op.
‘Jammer,’ zei hij, ‘had toch gescheeld.’
Hij gaf me flyertje met daarop het nummer van het gemeentelijke neuzendepot aan de westelijke stadsrand. Afhalen alleen met geldig legitimatiebewijs en een recente portretfoto, betalen (€22,50) alleen met pin of creditcard.
‘Laten opsturen kan ook,’ legde hij behulpzaam uit, ‘kost wel ietsje duurder, maar als ik u was zou ik het wel weten in die rotkou. Je blijft aan de gang.’
Ik zag gelijk wat hij bedoelde. Het orendepot, vermeldde de flyer, is wegens ruimtegebrek verhuisd naar een andere kille rand van de stad.
‘Heel erg bedankt,’ zei ik hem welgemeend, ‘ik had geen idee!’
‘Joe,’ deed hij, en toen ik me omdraaide om naar huis te gaan: ‘Als -ie er weer aanzit bakkie koffie?’

8 maart: boekpresentatie ‘Wat ben ik meer dan stilte’

[English below]
Op 8 maart, om 15:00 uur, wordt in de schrijversstudio aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht een boekje van mijn hand gepresenteerd: Wat ben ik meer dan stilte – verhalen van geesten. 

De verhalen en gedichten in de kleine bundel zijn het resultaat van een vraag die ik een tijdlang aan de mensen om me heen stelde: ‘Heb je weleens een geest gezien?’

Of ik, of degene die ik sprak, daadwerkelijk geloofde in die geesten deed er niet toe – de verhalen, daar was ik benieuwd naar. En ik kreeg ze: een geest in een Koreaans ziekenhuis, een verschijning in een Nederlandse slaapkamer, een demon in een Argentijnse klerenkast…

De mensen die me hun spookverhaal toevertrouwden waren verbaasd, geschrokken of geamuseerd. Ik vroeg me af: hoe zouden de spoken in kwestie het beleven? Nog steeds doet de vraag ‘is het echt’, of ‘geloof je erin’ er hier weinig toe, trouwens. Het verhaal als gegeven, maar ook als literaire constructie – waarin je je als het nodig is nog in een stoelpoot in moet kunnen leven – dat doet ertoe.

Ik herschreef de anekdotes (een fijne verhaalvorm) die ik hoorde tot verhalen en gedichten vanuit het standpunt van de geest in kwestie.

Om met veel plezier het verhaal te vieren. Dat er verteld wordt, geluisterd, gegriezeld, verwonderd, en dat dit echt nog altijd en voor altijd, terloops of nadrukkelijk, overal gebeurt.

[Met dank aan: Van Eyck, Nederlands Letterenfonds, Ben Remkes Cultuurfonds – Illustraties: Sophie Schmidt – Grafisch ontwerp: Christophe Clarijs & Celine Mathieu – Redactie: Erik Lindner – Vertaling: David McKay]

On March 8th, at 3:00 p.m., a short anthology of mine will be presented in the writers studio located at the Jan van Eyck Academy in Maastricht: What am I now but silence – Ghosts’ stories. 

The stories and poems in this anthology stem from a question I posed to the people around me: ‘Have you ever seen a ghost?’

Whether I, or the person whom I was talking to, believed in those ghosts didn’t matter – I was curious about the stories. I got what I asked for: a ghost in a Korean hospital, an apparition in a Dutch bedroom, a demon in an Argentinean closet…

The people who entrusted me with their ghost stories were surprised, startled or amused. It made me wonder: how would ghosts experience these encounters? Nevertheless, the question ‘is it real’ or ‘do you believe in this’ doesn’t really matter. The story as a given, but also as a literary construction – where you can even empathize with a chair leg, if needed – is what truly matters.

I rewrote those anecdotes (excellent story form) into stories and poems from the perspective of the ghosts.

To gleefully celebrate the story itself. To have it be told once more, listened to, with shivers down your spine, amazed, and that this really still keeps happening and will continue to do so, casually or purposefully, everywhere around the world.

[Thanks to: Van Eyck, Nederlands Letterenfonds, Ben Remkes Cultuurfonds – Illustrations: Sophie Schmidt – Graphic design: Christophe Clarijs & Celine Mathieu – Editor: Erik Lindner – Translation: David McKay]