Zolderraam

Mijn oma belde vanuit de telefooncel bij station Gein naar mijn moeder. Ze was net van ons vertrokken. We hoorden allemaal dat brullende vliegtuig, zij was buiten, ze had het over zien komen.

‘Het was een bom,’ zei ze, ‘ik zag het zelf, het was een bom.’

Ik hoorde dat niet, stond op dat moment uit het zolderraam te turen,  wist zeker dat er straks een vliegtuig op ons pannendak terecht zou komen, dacht: ik moet ze waarschuwen, we moeten weg, en de poes dan, en de buren.

‘Ze dacht dat het een bom was,’ zei mijn moeder, die me naar beneden haalde, ‘maar dat zal toch niet?’

De volgende herinnering is weken, maanden of jaren later, we moeten op school een tekening maken en wie de mooiste heeft mag een mozaïektegel maken voor bij het monument. Of eigenlijk ging het anders, de leraar was vergeten dat die wedstrijd liep en koos een meisje uit dat bij de vorige tekenopdracht het mooist een ladder met een doek erop had nagetekend.

We woonden, al met al, mijlenver bij die ramp vandaan. In rijtjeshuizen, met poezen en buren die in het weekend klaagden over de barbecue en een veldje voor de deur waar een lelijk, ongevaarlijk speelding op was gezet zodat we er niet meer zouden voetballen. We hadden oma’s die de oorlog mee hadden gemaakt en kregen voortaan – althans, ik dan – zweethandjes bij een te luid vliegtuig. Maar er was niks aan de hand. We legden een tegel neer en vonden het erg, we werden gebeld door mensen die nooit in Zuid-Oost kwamen, of we nog leefden. We voetbalden om een blauwe poes heen.