I am afraid to see my heroes

Torres_Live_-_Athens,_GreeceI am afraid to see my heroes age
I am afraid of disintegration

Zingt Torres in ‘The Exchange’ (Sprinter, 2015). Het is een mysterieus lied, bijna a capella, door een diepe stem met een melancholische klank. Het gaat over haar moeder die haar moeder twee keer heeft verloren, de tweede keer door een ‘freak basement flood’; Under water/we’re under water.

Ik zoek haast nooit na waar liedteksten op slaan, vooral niet als ik ze mooi vind. Zal je net zien dat het hele nummer draait om het feit dat de zanger(es) God heeft gevonden, terwijl ik er net zo’n toepasselijk liefdeslied in hoorde; dan kan ik het nummer dus niet meer luisteren omdat ik de hele tijd het gevoel heb dat de artiest me iets veel te intiems vertelt. Iets waar ik bovendien niet in geloof. Het liefst weet ik zo min mogelijk.

I am afraid to see my heroes age

Torres is, zo blijkt als ik met lood in mijn vingers haar naam opzoek, de Amerikaanse Mackenzie Scott. Ze is een beetje into Christus, hoe kan het ook anders, heeft leren zingen in de kerk. Het lied, daar ging het me om, gaat inderdaad over de moeder van Mackenzie, die haar eigen adoptiepapieren kwijtraakte in een kelderoverstroming, waardoor ze nooit meer te weten kon komen wie haar biologische moeder was. Mackenzie zelf is ook geadopteerd. Welke van haar twee moeders (de biologische of de adoptiemoeder) nu precies die papieren kwijtraakte weet ik niet, ik stopte al met zoeken. I am afraid to get to know my heroes.

Schermafbeelding 2017-07-24 om 18.41.58De zin die bij mij steeds door mijn hoofd (en dus het huis) blijft zingen is die van die ouder wordende helden, daar bang voor te zijn. Bij Scott heeft het te maken met een algehele angst voor verkruimling, vergaan, bij mij is het platter. Misschien heeft het meer te maken met de menselijkheid van wat ik veronderstel iconen te zijn. Ik begrijp best dat Madonna er alles aan doet om er jong uit te zien, dat is namelijk precies wat idioten als ik van haar verwachten. Anders is het Madonna niet meer. Als ik een foto zie van Mick Jagger nu, naast een foto van Jagger in zijn gloriejaren breekt mijn hart. Mijn vroegere idool, Bette Midler, durf ik niet meer te Googelen.

(Idool is trouwens een groot woord, dat veronderstelt fan van iets zijn, je kamer volhangen met posters en elke snipper van iemands levensverhaal te weten willen komen. Ik wil gewoon duizend keer Beast of Burden op repeat hebben omdat ik het een lekker nummer vind en eenkennig ben. Hoe fout Mick Jagger is en hoe oud Bette Midler wil ik helemaal niet weten. Het moet wel een beetje mijn soundtrack blijven.)

I am afraid to see my heroes age

Ben ik bang om mezelf ouder te zien worden? Nee, ik geloof het niet. Die grijze haren vind ik wel grappig en dat je met de jaren kreukeliger wordt is onvermijdelijk. Ik heb helemaal geen zin om me daar druk om te maken, ook al zegt iedereen van boven de veertig dat dat nog wel komt. Ah ja; steeds banger zal ik worden voor ziektes, dat kan ik je vast vertellen, maar dat gaat niet om het zien ouder worden, niet direct tenminste. Wel vind ik het gek dat de mensen om me heen, dertigers, ik dus ook, vormvaster worden. We ‘zijn zo iemand die’ (een kind heeft, zo’n baan heeft, geweldige soepen maakt, altijd vroeg naar huis gaat of altijd de kroeg uitgeveegd moet worden, te hard lacht of nergens zin in heeft) aan het worden.

Of nou ja, ‘gek’ is niet het goede woord; ik vind het wel lekker, eigenlijk. Ik ben zo iemand van in de dertig met een hond en een windjack, die chick die schrijft, die ene die meestal wel trek in een biertje heeft en die te hard lacht. Ik sluit absoluut niet uit mezelf ooit nog te verrassen, maar dat het niet de hele tijd meer gebeurt is uitermate aangenaam. Dat ik nu intens jong belegen klink is overigens minder aangenaam, daar heb je ze al, die zorgen.

I am afraid to see my heroes age

Joan_Baez_2012Een paar jaar geleden zag ik Joan Baez optreden. Het was de eerste keer dat ik haar zag en vrijwel de eerste keer dat ik haar hoorde. Later zocht ik haar muziek terug – ik vond haar vroegere werk veel minder mooi dan wat ik haar met die oudere, diepere stem hoorde zingen. Was al aan die grijze haren gewend. Koesterde het feit dat een vrouw van in de zeventig nog kan staan shinen op een podium, ook zonder Madonna-ingrepen. Baez mocht niet meer terug veranderen. Hetzelfde heb ik met Abbey Lincoln; geef mij maar de opnames waarin haar stem wat stroever is.

Misschien is dat het: I am afraid to see my heroes change – blijf wie je was toen ik je leerde kennen, zodat ik nooit meer aan je hoef te denken, zodat je zo plat als een dubbeltje blijft en je liedjes (of boeken, for that matter) van mij blijven. Blijf met je verouderende tengels van je oeuvre, mijn soundtrack, af. Waag het niet ooit jong geweest te zijn.

Mackenzie Scott, Torres, is geboren in 1991. Dat betekent dat ze zes jaar jonger is dan ik. Dat betekent ook dat ze zich misschien later wel helemaal kapot schaamt voor wat ze nu zingt en schrijft, en dat ik dan (als ik ’t nummer zelf niet zat ben) niet meer naar The Exchange kan luisteren omdat ik dat weet. Dat ze in een interview zegt: die tijd heb ik achter me gelaten, die galm, dat sentimentele.

Stel je voor! Nee! Dat schamen doe ik zelf al genoeg (ik voorspel nu vast dat ik overmorgen mijn muren bijna doorklauw van spijt over het feit dat ik een mini-essay heb geschreven in de eerste persoon, dat zouden we toch niet meer doen, wie ben ik nou helemaal, ja dat ene zeikwijf van Tirade) en de wereld verandert al de hele tijd, zodat al die vormvaste dertigers van nu over twintig jaar het equivalent zijn van hun ouders die alleen maar in hoofdletters kunnen sms’en en zwarte piet wel best vinden. Laat mijn helden mijn helden blijven en mijn liedjes mijn liedjes, laat mij in die fictie geloven. Dan beloof ik dat ik soms dat windjack nog even uittrek om met de tijd mee te rennen.

[Foto Torres: Pinelopi Gerasimou, via Flickr]

[Foto Baez: Steve Jozefczyk , via Flickr]

—> Dit mini-essay verscheen eerder op de site van Tirade.

Ghosts & Fire

(voertaal: Engels – vandaar:)

‘The hand of the dead was heavy; it is heavy on the living even today.’ – Lafcadio Hearn, 1903.

Have you ever met a ghost? Has anyone around you? Just curious about other people’s ghost stories? What is a ghost anyway? Come share and listen on Thursday the 22nd of June. There will be a campfire, there will be beer and wine, bring your own marshmallows and soda (and since we’re around a fire anyway: your guitar or extra spooky musical saw ;)).

Roos van Rijswijk is the current writer in residence at the Jan van Eyck Academie. She’s writing about, and thus collecting, personal ghost stories. The first question people ask when told about this project is: ‘do you believe in ghosts?’ Her answer: ‘I believe in stories, the significance of stories and if you tell me you’ve met a ghost, I’ll believe you too.’

When: Thursday, June 22nd, from 10 PM till the stories run out.
Where: Mandril Cultural and Political Centre (garden)
Cabergerweg 45, Maastricht
Entrance: FREE*

But what if it’s raining? -> we’ll move inside!

*IMPORTANT

The people of Mandril are kind enough to lend us their garden for free – a small donation is more than welcome. $$$ ALSO! If you want to buy beer or wine, provided by Mandril, bring some cash $$$

> FACEBOOKEVENT

*

straatgenegenheidsspectrum

‘Ik zie u roken,’
De man, een jaar of tachtig, minstens, hield me staande. Hij liet zijn rollator los.
‘Krijg ik nu een preek?’ vroeg ik licht geïrriteerd en schuldbewust.
‘Zou ik er eentje mogen?’
Dat mocht. God, sorry, natuurlijk mocht dat. Hij grinnikte, leende ook mijn aansteker even. Zei dat hij alles thuis had laten liggen, hij moest nog een paar kilometer wandelen, met die kar voor zich.
‘Wandel-ze,’ zei ik.
Toen stak de man zijn hand op, alsof hij me een high-five wilde geven, dus ik stak die van mij ook op, maar het was een knuffel, ‘o,’ zei ik en toen werd het ineens een natte kus in mijn hals, ‘ho,’ piepte ik en voor ik het wist vervolgden we allebei onze wegen, de ruggen steeds verder van elkaar af.

Ik veegde lopende mijn hals droog. ‘Huh,’ zei ik, hardop.
Het is natuurlijk ook gewoon leuk om mensen in hun hals te zoenen.

Toch: na die ‘huh’ werd ik pissig, want als die man niet tachtig was geweest en geen rollator voor zich uit had geduwd had -ie een hengst gekregen wegens deze verrassingsaanval.

Er is een straatgenegenheidsspectrum dat per mens (v/x/m) verschilt. Voor mij (en dus niet: voor alle vrouwen, ik heb het tegen jullie, mensen die vrouwen alleen in vrouwenpanels zetten om erachter te komen wass das Weib will) ziet dat spectrum er ongeveer zo uit:

(bedankt voor het compliment, ja, zelf gemaakt)

Natuurlijk is dit allemaal contextafhankelijk. Bijvoorbeeld: is de straataanbidder dronken? Zo ja, dan schuift ’t hele spectrum op naar rechts. Heeft de straataanbidder zelfspot? Ietsje naar links. Klinkt het ‘kopje koffie’ als ‘lekker effe anaal verkrachten in een vochtige kelder’: naar rechts. Ik ben weleens zo goedmoedig op mijn kont geslagen dat het spectrum in een knoopje lag, maar dat is er eentje voor de vakmannen.

En dat mannetje dan? Hij was onschadelijk. En daarmee viel hij spontaan van die mooie tekening hierboven. Wat de boel voor een vrouw bedreigend maakt, zo wordt vaak terecht benadrukt, is het feit dat een man vaak fysiek sterker is (en maatschappelijk machtiger) dan zij. En deze man, ja deze had geen manieren, maar als ik niet zo verbaasd was geweest had ik ‘m om het af te leren even op z’n achterhoofd kunnen tikken zodat –ie z’n kunstgebit verloor. Ik had z’n rollator kunnen wegduwen en ik had ‘m pootje kunnen haken, enzovoorts.

Dat praat het niet goed, want waarschijnlijk wist hij best dat hij ermee weg zou komen. Zelfs als ik tegen hem was gaan schreeuwen was ik, en publique, de bruut geweest. Het is heel lief, dat we aan ouderen denken in termen als ‘mannetje’, ‘besje’ (wat is het mannelijk equivalent hiervan? Stronkje? Zwammetje?) en ‘ouwe viespeuk’. Vervelend, dat ook, belachelijk om na je zeventigste ineens overal als ‘omaatje’ en niet als je capabele zelf gezien te worden. Maar het zorgt er ook voor dat asociale ouwe zwammen overal mee wegkomen. Het moet ze gegund worden, zo in de winter van hun leven: voordringen bij de bakker. Vrouwen op straat in hun hals zoenen. Hihi, snoeperd!

Al hoefde ik die mafkees niks te gunnen: schreeuwen deed ik dus niet. Hij was al te ver weg. Bovendien was ik niet kwaad maar teleurgesteld. In mezelf. Omdat ik een vrouw ben en geleerd heb dat het altijd aan mij ligt, geloof ik, maar dat klinkt ook weer zo zielig.

Ik dacht: laten we deze maar verdringen, en vanavond in bed het patriarchaat een beetje extra vervloeken.

*

wedergekeerde hitte

Heet, maar dat hoef ik u niet te vertellen. Ik roep altijd dat het me niet heet genoeg kan zijn, en dat is ook zo, maar nu ineens kan ik het niet hebben. Slapen lukt niet, eten is vies, werken verschrikkelijk en de zon heeft een vitaal deel van mijn hersenen verweekt waardoor ik de hele tijd dingen vergeet; afspraken, wc-papier, voornemens. Onder al dat gezweet ben ik gelukkig, overigens, ik heb heel veel zin in allerlei dingen als het niet 32 graden is.

Hundstage, denk ik steeds en dan aan dat ik die film nog steeds eens moet kijken. Ik probeer ook aan boeken te denken waarin het vreselijk heet is, maar verbanden leggen tussen roman & de dagelijkse werkelijkheid zit niet zo in mijn systeem, geloof ik. Ik denk wel aan films (dus), of aan songteksten, maar de literatuur blijft in de literatuur. Misschien is dat wel waarom ik er zo van houd. Als ik een boek lees ben ik dáár, en niet hier. Ergens schaam ik me er toch voor omdat ik het gevoel heb dat het wel zou moeten – die verbanden leggen dus.

De schimmen, van César Aíra, maar nu speel ik vals, vorige zomer dacht ik ook al aan dat boek. Is het in Post Office van Charles Bukowski heet, of denk ik dat alleen maar omdat ik het boek las in mijn eerste zomer als postbode (heerlijk; de winter, dat was pas erg)? The Sisters Brothers van Patrick DeWitt misschien, hoewel ik dat ook kan denken omdat het een soort western is, en in westerns brandt de zon en brandt het zand. Is het zomer in Nina Polaks We zullen niet te pletter slaan? Geen idee, maar ik weet wel dat het dat was toen ik het boek las.

Ja als iedereen het erover heeft, dan ga ik vanzelf romans in de werkelijkheid zien; de muggen uit Nooit meer slapen, de trein uit Anna Karenina.

Ik doe het andersom, geloof ik, ik verbind mijn omstandigheden aan boeken, in plaats van de boeken aan omstandigheden.

Zegt dat iets over mij? Ik lees niet om te herkennen, denk ik, maar wil ik dan zelf herkend worden door een boek? Nee – zelfs non-fictie valt ten prooi aan mijn weerprojecties. Cities are good for you van Leo Hollis bijvoorbeeld, gaat (surprise!) over steden, en ik zie al die steden (zoals Almere!) voor me in de stromende regen.

Vlak voor ik dit stukje typte keek ik op Instagram, waar een foto te zien was van iemands voeten in een voetbadje. Ik wilde schrijven dat ik dat nooit doe, een voetbad, omdat je dan wel even verkoeling hebt maar daarna is het nog veel erger om het weer warm te hebben, dan kan je beter maar gewoon de hele tijd warm blijven en niet steeds weer die teleurstelling over je afroepen. Bovendien zit je daar maar, met je lelijke poten in een teil en zeker weten moet je naar de wc en ben je vergeten een handdoek naast dat ding te leggen waardoor je over je laminaat moet glibberen et cetera – ik wilde dus schrijven dat ik tégen voetbadjes ben, ook op Instagram, omdat ik zelfs bij het zien van een fotovoetbad de sensatie van wedergekeerde hitte ervaar, en toen kwam het ineens naar boven.

Marga Minco. Volgens mij is het ’t eerste verhaal uit de verzamelbundel Achter de muur (Bert Bakker, 2010). Een man, een soort deur-aan-deur verkoper (‘Hij had een slappe deukhoed op en droeg een koffer, die hij nu op de stoep zette. Tussen zijn gestrekte wijs- en middelvinger hield hij een visitekaartje omhoog.’) klopt aan bij een vermoeide vrouw. Wat ze nodig heeft, zegt hij, is een voetbad. Morrend (“ik voel er zo weinig voor”) geeft ze toe, ze steekt haar voeten in een teil. Nadat de man flink wat helende substantie in het onnodige voetbad heeft gestrooid gaat hij even een doosje sigaren halen. Terwijl de vrouw merkt dat ze haar voeten niet meer uit de teil krijgt – gips! – klopt hij alweer bij de volgende buurvrouw aan.

Zit ze dan. Miserabel was ze al, in haar groene kamerjas, en nu zit ze ook nog vast.

Precies wat deze dagen met me doen, met de kamerjassenzon die ervoor zorgt dat elke beweging er als één te veel voelt. Het omslaan van een bladzijde, dat lukt nog net.

*

De Anoniemen

Kun je verdwijnen? Blijven ademen en bewegen en eten, janken en liefhebben – maar verdwenen zijn?

Wil je dat?

Niet alleen voor mij verdwijnen, maar voor iedereen die je zelf niet uitkoos. De leerkrachten die jou niet begrepen, de klasgenoten die je bespotten, je ouders die het niet op de goede manier probeerden.

Ja, dat wil je.

Je wilt zo klein worden dat niemand je meer ziet, en je wilt het langzaam doen zodat geen mens het doorheeft dat je er ineens niet meer bent. Jij en al je misstappen en herinneringen krullen zich op en je vouwt je uit aan de andere kant van de koude zee. Daar maak je nietszeggende vrienden. Je verandert je naam, je verhaal. Je doet werk bij een archiefkast, denkt vaak: ik ben meer dan dit. ‘Meer!’ wil je net als vroeger roepen, ‘ik ben meer dan jullie!’

Maar je bent een radertje. Je doet geen goede of mooie dingen, omdat je iemand bent die niet goed en ongenoemd tegelijk kan zijn.

Als het stil is in je leven stuur je me brieven die ik ongeopend wegtief. Dat weet je, want zelfs op de enveloppen schrijf je sorry.

LEES VERDER OP DE GIDS – die hebben namelijk een mooi themanummer, online, waarin heel veel schrijvers het groepsgevoel onderzoeken. We kregen allemaal een letter van het alfabet (ja, waar anders uit eigenlijk) toegewezen. Hier staan ze (o.a. Emy Koopman, Niña Weijers, Wout Waanders en Rob van Essen) allemaal. 

*

Omgang

De Sint Servaasprocessie duurde erg lang en was voor een Hollander die niks gewend is en nergens in gelooft spectaculair en vreemd tegelijk. Op een hoek van de Grote Staat stond ik, mooi vooraan, te kijken naar hoe notabelen en verenigingen, allemaal keurig uitgedost en op makkelijke schoenen, langsschreden. Wanneer zie je dat, schrijden? En gewaden? Vooruit: hier ziet iedereen, maar vooral bepaalde vrouwen, er net iets versgeknipter en deftiger uit, met die bolle blonde kapsels en getailleerde jassen met patroontjes erin. Soms wappert er ineens een oude non voorbij. Maar deze praal, mannen met draagbaren op hun schouders, levensgrote Maria’s, vrome kindertjes met lenteboeketten in hun knuistjes, alles glimmend en in gewijde stilte – zelfs de fanfare die ’s ochtends onder mijn raam jolig opstartte was ingetogen – daar kun je met open mond naar kijken.

Of je ergert je rot, dat is ook begrijpelijk; de winkels zijn dicht, de halve stad staat op zijn kop door een beschermheilige waarvan niet eens zeker is of –ie wel bestaan heeft, je gelooft niet in God, de wierrook slaat op je longen, je wilt er godverdomme langs maar er staan veertig getailleerde jassen en een paar bisschoppen in de weg. Het zou lekker zijn om even heel hard te roepen dat het allemaal idioten zijn in hun apenpakkies, en dat alles schijnheilig is, maar de meeste voorbijgangers kozen voor een passief-agressieve aanpak; gewoon oversteken. Hup, langs een non, of recht door een vroom zangkoor, kinderwagen vooruit en peuk omhoog. Omlopen voor God, dat is voor laffe schapen.

Ik vond het allemaal mooi. De praal, de chagrijnen, de stad. Heel vaak moet ik hier aan een van mijn wijlen oma’s denken, de moeder van mijn moeder. Die hield van mooie dingen en chique zaken, maar werd tegelijkertijd nogal rebels van de kouwe kak eromheen. Misschien omdat ze uit de Jordaan kwam toen het nog een volksbuurt was, of misschien is het iets in de genen, want al haar nazaten worden in dit soort situaties geloof ik verscheurd tussen bewondering en spot; ook ik bemerkte halverwege de processie dat er iets knapte in mijn kop. Het was net of oma vanuit een hemel waarin ze niet geloofde op mijn schouder landde en spottend zei: wat een poppenkast. Ineens ergerde ik me ook. Niet aan de processie (ze doen maar, als het loutert) en niet aan de overstekende mensen (idem) maar wel kreeg ik haast een fysiek allergische reactie op de vrouw die naast me stond.

‘Dat gekanker de hele tijd,’ fluisterde mijn oma me in met de stem die ik bijna vergeten was, zwaar van de sherry en sigaretten.

Gelijk had ze. De vrouw, in een veel te keurig pakje gestoken en met haar dat zo hard glansde dat ik er bijna sneeuwblind van werd, stond aan een stuk door heel devoot te zaniken over de overstekers.

‘Respectloos!’ zei ze net iets te hard, of ‘tuttuttut!’ of ‘Nou JA!’ of ‘Óngelóóflijk’.

Ik keek op mijn horloge: de processie duurde al een half uur en die vrouw was al een half uur aan het mopperen. Steeds luider, soms stootte ze me aan, kennelijk in de veronderstelling dat ik net zo devoot was als zij. Ze schudde de hele tijd afkeurend met haar hoofd. Ik vroeg me af wat haar God vond van haar gedrag, probeerde me dat niet af te vragen, wat weet ik tenslotte van goden en heiligen?

Ik dacht aan de keer dat mijn geweldige oma iemand van z’n fiets trok toen hij ons bijna aanreed, aan de keer dat ze driftig een metrodeur openwrikte terwijl het rijtuig zich al in beweging had gezet, aan de klap die ze keihard op een motorkap gaf omdat –ie te hard glansde of zoiets en aan alle keren dat ze – net door rood gelopen, met in haar tas boodschappen die ze lekker niet gescand had bij de supermarkt, luidkeels discussies aanging met mensen die haar niet aanstonden. Je zag het aankomen, opborrelen, en je hoorde haar dictie van keurig ABN naar Amsterdams verschuiven.

Daar ging ik. Het was het parfum van die vrouw, de lippenstift die in haar mondhoeken korrelde, de welvaart die van haar afdroop, dat glanzende haar, het was het tasje aan haar onderarm en die vrome kaklakschoenen, het was haar schouder tegen de mijne, alsof ik iets met haar te maken had, en vooral was het dat gezever door een haast fluisterzachte stoet.
Nee, dacht ik, ik doe het niet. Anderewang, andere wang, anderewa-
Oma gaf me een zetje.

‘Mefrouw,’ zei ik ondanks al mijn voornemens in haar oor.
Ze staakte haar gejammer.
‘U seurt er dorheen.’

Daar ging oma weer, vast heel tevreden met haar onstoffelijk nalatenschap in de vorm van de genetische afwijking van Het Je Muil Niet Kunnen Houden. Ik was weer alleen. Schaamde me dood.
De vrouw was stil en kwaad.
‘Het gaat om respect,’ zei ze toen.

Ik zei niet: respect me reet. In plaats daarvan wachtte ik in besmuikt zwijgen een pauze in de processie af. Heel langzaam, in de hoop dat de vrouw het niet zou merken, gleed ik zijwaarts met de bocht mee een stuk verder de straat in. Daar ademde ik zo hard wierrookdampen in dat ik me haast in de Heilige Geest verslikte. Naast me barstte een winkelmedewerker die goddomme gewoon z’n winkel open wilde doen in lachen uit.

‘Gezondheid,’ zei hij.
‘In godsnaam,’ zei ik met een stem zo zwaar dat ik er iemand anders in herkende.
Hij bood me een sigaret aan. Samen zaten we de omgang uit.

Dramatick

Iets langer dan een maand woon ik nu in Maastricht. Veel meer dan de binnenstad heb ik nog niet gezien, want ik moest vaker heen-en-weer naar Amsterdam dan ik eigenlijk wenste en er kwamen een suffe lentegriep en een reis naar Boedapest tussendoor. Sowieso ben ik langzaam met wennen. De eerste weken heb ik nog net niet (als een bange kat langs de muren) alleen de route van mijn huis naar de academie afgelegd. Bovendien is de hemel de hele tijd regengrijs of deprimerend wit, terwijl mijn inmiddels lentebeige gemoed best zon en blauw kan gebruiken.

Vandaag, of eigenlijk gisteren, was ik klaar met mezelf. Toen mijn wekker ging dacht ik: mooi niet. Na een dag vol zaterdagkranten en het minimale aan werk sleepte ik mezelf naar een film: Django. In de folder van Lumière las ik dat de muziek voor die film is gemaakt door het Rosenberg Trio. Wat ik van de film vond weet ik eigenlijk niet zo goed, maar de muziek was prachtig.

Thuis, onder de douche, voelde ik me schuldig over het kopje koffie dat ik vlak voor de avondfilm had gedronken. Ik had totaal geen zin om te gaan slapen. Misschien, dacht ik, moet ik gewoon eens een nacht doorhalen, omdat het kan. Maar dat was natuurlijk geen goed idee want als ik daar eenmaal aan begin blijf ik bezig.

Toen vond ik een teek onder mijn oksel, net aan de zijkant. Van die ene zonnige dag dat I. en ik naar de Amsterdamse Waterleidingduinen waren gegaan om vossen en hertjes te zien. Nergens in huis een pincet natuurlijk, en mijn nagels had ik net geknipt waardoor ik zelfs niet kon improviseren. De teek was groter dan de zeven teken die ik twee jaar geleden uit mijn benen tekentangde, en gatverdamme pootjes lijfje beest een beest in mijn huid – ik ging op bed liggen om te slapen. Kreeg dat beest echter niet alleen niet uit mijn oksel; ook mijn hoofd was nu gevuld met TEEK.

Over de app consulteerde ik I., die een schaar suggereerde of het bellen van een huisartsenpost. A., met wie ik op z’n tijd lustig medische mysteriën uit kan wisselen stuurde me direct het nummer van de huisartsenpost.
‘Maar het is nacht!’ appte ik.
‘NOU EN’ appte A.
Ik ging weer liggen en probeerde niet aan de teek de denken. Niet zo aanstellen, stadsmens, dacht ik de hele tijd, het is maar een beestje, vroeger hadden we katten die soms onder de knikkers zaten en ik heb ongetwijfeld weleens een regenworm gegeten.
‘BEL DIE HUISARTS!’ appte A.

De dame aan de telefoon was heel leuk. Ze vroeg of de teek groot was (redelijk, hij doet wat een teek moet doen), of ik ademhalingsproblemen had (nee, al lette ik ineens op mijn ademhaling en overviel me een oeroude angst, namelijk dat ik er gewoon mee zou stoppen omdat ik erover nadacht), of het rood was (ja) en hoe lang hij er al inzat (gatver, twee dagen) (sorry dat ik je hiermee lastig val, zei ik ook, en dat ik niet moeilijk wilde doen of zoiets, maar even wilde checken of – ), ‘ja,’ zei ze, ‘kom maar even langs, dan halen we ‘m eruit.’

Googlemappend door Maastricht-by-night fietsen, een nachtwachtkamer, ik had net zo goed het woord DRAMAQUEEN op mijn voorhoofd kunnen schilderen, zo gezond was ik. Maar een mooie dokter haalde de teek weg. Ik moest erbij liggen, ook zoiets dramatisch.
‘De eerste teek dit jaar!’ zei hij, en hij bekeek ‘m even goed onder een lampje. ‘Dood.’
Ik zei ‘net goed’ maar de arts had al de hele tijd niet op mijn verontschuldigende grapjes gereageerd.

Bij de nachtapotheek haalde ik twee preventieve antibioticapillen die ik thuis – al kwart over twee, goddomme – braaf innam.
Ja, dacht ik. Nu kan ik net zo goed wakker blijven. Ook omdat mijn hele lijf nu uiteraard onder de fantoomteken zit, en ik ieder moment diverse andere parasieten onder mijn huid verwacht. Het goede nieuws is dat ik de hele tijd ben blijven ademen, de kop koffie maximaal heb benut en eindelijk wat meer van de stad zag, zoals de maan, rond als een weldoorvoede teek, schitterend op de Maas en in een hemel zo helder dat ik zeker weet dat hij was het nu middag geweest, zomerblauw zou zijn.

(foto via

*

Normaal

Nu moeten we allemaal normaal doen en omdat dat moet wil ik het niet, ik wil niet normaal doen, probeer te bedenken hoe ik zo abnormaal mogelijk kan zijn.

Maar ik mag alles. Zelfs als ik voortaan mensen van hun fiets schop, voortuintjes verniel, pussies grab of mijn blote reet tegen de voorruit van Rutte duw mag ik blijven. Ik ben wit, Nederlands, vrouw, queer; vandaag zijn die eerste twee zaken een garantie voor mijn veiligheid – ik krijg een diagnose als ik het te bont maak, geen uitzettingsbevel – en die twee laatste bewijslast waar de politiek mee kan zwaaien.
‘Dit is hier normaal,’ zeggen ze: ‘We houden van onze vrouwen en homo’s, als je daar moeite mee hebt rot je maar op.’

Ik wil niet dat er opgerot moet worden, ik wil in gesprek. Ik wil ruzie ik wil discussie ik wil schreeuwen en ik wil tussen de glitternichten op een boot staan, niet voor Den Haag maar voor iedereen die moet wennen aan het bestaan van glitternichten en knipperpotten. In het bestaan bestaat er wrijving. Ik wil geen normaal, ik wil begrip, ik wil meer gutmenschen, ik wil tussen de jongens hangen die te horen krijgen dat ze nergens goed voor zijn en met de meisjes die abnormaal gevonden worden door hun hoofddoek maar dat ben ik niet. Ik ben normaal. Voor mij worden wetten gemaakt, voor mij worden de scherpe hoeken van het bestaan afgerond. Ik kan te pletter vallen, maar op Hollandse rubberen tegels – niet de grens van een land door.

Laat me niet normaal zijn is de arrogantste wens die ik kan hebben, het smeken om leed zodat ik het me toe kan eigenen – brandstof zoeken voor een gevecht (ja, ik wil een gevecht!) zodat ik het ook kan voeren. Zodat mijn uithalen gericht zijn, en niet in het luchtledige uitwaaieren tot er alleen maar van overblijft dat ik het recht heb op het uiten van mijn mening.

Ik wel.

*

(achterstallig) Nieuws

In Tirade verscheen een essay van mijn hand, over geëngageerde literatuur en het rechtop zetten van omgevallen schapen

Op De Correspondent verschenen enkele artikelen rondom Onheilig. Hier een interview en hier een bespreking, bijvoorbeeld.

Op Aicha Qandisha een kort verhaal van mijn hand.

Ondertussen is de derde J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt. De prijs is opgezet door een groep korteverhalenliefhebbers, waaronder ikzelf, vandaar dat ik het even met trots wil melden. P.S. lees meer korte verhalen.

Over korte verhalen gesproken: voor NRC bespreek ik met zekere regelmaat vertaalde boeken. Bijvoorbeeld de meesterlijke verhalenbundel van Donal Ryan. Ook schreef ik een essay over de minstens zo geniale Shirley Jackson.

De Volkskrant riep me uit tot literair talent van 2017. Een beetje voorbarig misschien, maar heel eervol en ik mocht met een confettischieter op de foto en heel veel vertellen over de boeken die ik mooi vind.

Als u na al deze ontzettende bescheidenheid (zucht) nog meer aankunt, kunt u ook naar Amsterdam, Nijmegen, Purmerend, Rotterdam of Boedapest afreizen, ik draag voor, leesclub, ik interview mensen, enfin, zie ook de agenda. Van april tot en met juni verblijf ik aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht als gastschrijver.

Als u me zoekt, ik ben even een berg essays lezen ( <3 ).