Normaal

Nu moeten we allemaal normaal doen en omdat dat moet wil ik het niet, ik wil niet normaal doen, probeer te bedenken hoe ik zo abnormaal mogelijk kan zijn.

Maar ik mag alles. Zelfs als ik voortaan mensen van hun fiets schop, voortuintjes verniel, pussies grab of mijn blote reet tegen de voorruit van Rutte duw mag ik blijven. Ik ben wit, Nederlands, vrouw, queer; vandaag zijn die eerste twee zaken een garantie voor mijn veiligheid – ik krijg een diagnose als ik het te bont maak, geen uitzettingsbevel – en die twee laatste bewijslast waar de politiek mee kan zwaaien.
‘Dit is hier normaal,’ zeggen ze: ‘We houden van onze vrouwen en homo’s, als je daar moeite mee hebt rot je maar op.’

Ik wil niet dat er opgerot moet worden, ik wil in gesprek. Ik wil ruzie ik wil discussie ik wil schreeuwen en ik wil tussen de glitternichten op een boot staan, niet voor Den Haag maar voor iedereen die moet wennen aan het bestaan van glitternichten en knipperpotten. In het bestaan bestaat er wrijving. Ik wil geen normaal, ik wil begrip, ik wil meer gutmenschen, ik wil tussen de jongens hangen die te horen krijgen dat ze nergens goed voor zijn en met de meisjes die abnormaal gevonden worden door hun hoofddoek maar dat ben ik niet. Ik ben normaal. Voor mij worden wetten gemaakt, voor mij worden de scherpe hoeken van het bestaan afgerond. Ik kan te pletter vallen, maar op Hollandse rubberen tegels – niet de grens van een land door.

Laat me niet normaal zijn is de arrogantste wens die ik kan hebben, het smeken om leed zodat ik het me toe kan eigenen – brandstof zoeken voor een gevecht (ja, ik wil een gevecht!) zodat ik het ook kan voeren. Zodat mijn uithalen gericht zijn, en niet in het luchtledige uitwaaieren tot er alleen maar van overblijft dat ik het recht heb op het uiten van mijn mening.

Ik wel.

*