Een soort verbale selfie (over smartphones en Facebook)

In Tijd, een zaterdagbijlage van Trouw, een artikel over drie jonge mensen zonder smartphone. Die van Auteur Anne Wijn (‘twintiger’) werd gejat: ze ervoer opluchting. De geïnterviewden schaften er nooit een aan of grepen bewust terug naar een simpeler model.

Ik denk vaak aan een filmpje uit de jaren negentig, geschoten in en rond Amsterdam Centraal, waarin mensen monter uitleggen waarom ze nooit een mobieltje aan zullen schaffen. Ze zien eruit om heimwee van te krijgen, wat helemaal nergens op slaat, dat komt gewoon omdat ik zelf de leeftijd krijg waarop ‘vroeger’ als glanzend en versimpeld geluk aan het eind van de regenboog ligt; als ik lang denk aan waar ik toen allemaal mee zat zou ik bijna een feestelijke optocht organiseren omdat ik goddank geen tiener meer ben.

Toch: de herinnering aan het filmpje komt niet voor niets zo regelmatig terug. Mijn eerste mobiele telefoon kreeg ik rond m’n zestiende, tegen m’n zin, maar ik belde zo’n beetje dagelijks (collect…) naar huis met de telefoons die op Centraal Station stonden. Als ik met mensen afsprak op het meetingpoint van datzelfde station kwamen ze steevast een halfuur te laat en dan zeiden ze ‘ja, als je nou een telefoon had, kon ik je sms’en.’ Stond ik zelf stil in metro 54, maakte ik me zorgen om wie ik liet wachten. De eerste smartphone stelde ik lang uit. Inmiddels overweeg ik iedere dag dat ding, omdat het zo groot is dat het in geen enkele zak past (of wel, maar dan kan ik niet zitten of mijn been niet buigen) een sloot in te flikkeren. Net als dat ik er al jaren naar neig m’n Facebookprofiel op te zeggen wegens moedeloosheid: al dat gekanker op alles, mensen met de selfietyfus, baby’s die ik niet ken, complotdenkers die ondanks hevig filteren mijnerzijds toch steeds weer de kop opsteken. De mens is mooi, het vreemde geweldig, maar op deze manier blijft er weinig van over. Misschien juist door dat gefilter. Enfin, wie zonder zonde is enzovoorts, ik zadel een deel van u op met dit uiterst particuliere blogje, een soort verbale selfie, via Facebook.

In het artikel van Anne Wijn las ik dat de belangrijkste reden dat ik de smartphone nog heb, precies is wat de drie smartphonelozen als grootste – maar duidelijk geen onoverkomelijk –  nadeel ervaren: de (halleluja!) navigatiefunctie. Hoewel ik heb leren kaartlezen in een tijd dat Google Maps nog toekomstmuziek was, ben ik er altijd hopeloos, stereotypebevestigend, beschamend slecht in geweest. Sinds ik weet hoe je jezelf met behulp van een telefoon in een blauw bolletje kunt veranderen dat met de kaart meeloopt is het leven zo ontzettend veel makkelijker geworden. Voor het vragen van de weg ben ik niet te beroerd, maar mensen die dit argument verbolgen op hun Facebookpagina plempen zijn duidelijk nooit analoog fietsend midden in de nacht in een diep slapend dorp, het verkeerde dorp, terechtgekomen, of door een kaartleesfoutje midden in een sneeuwstorm in de slechtste wijk van Chicago om door een goedgeluimde doch doodenge kerel vol getatoeëerde tranen onder z’n shifty eyes naar een beter oord te worden geëscorteerd (goed verhaal, maar ik had deze ervaringen best kunnen missen).

En Facebook dan? De reden dat ik daar nog ronddool deel ik met veel andere creatieven. Het is een reden waar ik me een beetje vies-plakkerig bij voel, maar wel een belangrijke: ik ben zichtbaar. Of in ieder geval: mijn werk is dat. Nu is ‘zichtbaarheid’ niet de primaire drijfveer achter wat ik doe, het krijgen van opdrachten is wél belangrijk, en ook opdrachtgevers vinden of kennen me vaak via het medium.

Het kan anders, dat zal het uiteindelijk ook wel, in ieder geval betreffende dat slepende geFacebook. De navigatiekwestie, intussen, stel ik hoe dan ook nog even uit. In het najaar ben ik terug in Chicago, vermoedelijk als het gelukkigste blauwe bolletje in het stratenplan.

[foto: een analoge spiegelselfie]