Skip to content →

Verslag uit de Europe Endless Express

Van 30 juni tot en met 2 juli reed de Europe Endless Express door zes Europese landen. Een festival in een nachttrein. Voor de SLAA schreef ik over het wel en wee in die trein – de verslagen werden op de Facebookpagina gepubliceerd.

1: Treinspotters
De trein waarin we zitten is bijzonder.
‘Ha,’ zegt een man wiens kaartje ik controleer terwijl ik geen controleur ben, maar er is een echte controleur kwijt.
‘Ik hoopte al dat het deze trein zou zijn. Duíts!’
Of misschien zegt hij Pools, of Hongaars, er bestaan ook vast Poolse en Hongaarse treinen – ik vind het heerlijk, één van de heerlijkste dingen om in een trein te zitten, maar alles wat met treinen te maken heeft, herkomst, techniek, glijdt langs me heen.
‘Duíts!’
De man is écht gelukkig, hij moet even naar adem happen als hij zijn eerste stap op de holle treinbodem zet.
Continue reading Verslag uit de Europe Endless Express

Comments closed

De stinkende reporter

Vanavond gaan mijn festivalvrees en ik mee met de Europe Endless Express, dat is een trein die in drie dagen zes Europese landen doorkruist. In die trein is een festival (en geen douche). Voor de SLAA (de literaire activiteiten, niet de saladebar) breng ik verslag uit over de programma’s en bijvoorbeeld hoe erg iedereen stinkt. Niet met ramen en rugnummers natuurlijk, want dan moet ik de rest van de reis verstopt in een bagagenetje doorbrengen en dat druipt zo.

Houd de website van de SLAA in de gaten voor nieuws.

Comments closed

Niet de enige

Je veilig voelen, je niet hoeven verdedigen, het niet hoeven uitleggen van wie je bent, een plek waar je nooit – nooit – door een blik of een straat of een sfeer denkt: ik laat de hand van mijn geliefde los. Door op een plek te zijn waar iedereen op net een andere manier anders is en dat dat kleine verschil dat geen verschil zou hoeven maken, niks uitmaakt. Houvast hebben in het idee dat, ondanks het feit dat iedereen uniek wil zijn, je dat niet bent, je bent niet de enige, gelukkig niet. Tuurlijk: ruzie maken, vreemde blikken, nare voorvallen blijven bestaan, maar gewoon omdat je allemaal óók maar een mens bent, en niet omdat je gereduceerd wordt door waar je het liefst je piemel, vingers, tong of ziel en zaligheid in stopt.

Toevallig in Orlando wonen, neergeknald worden om het verschil dat geen verschil zou moeten maken, op een plek die veilig is zoals alle plaatsen dat zouden moeten zijn.

Het Paleis op de Dam in regenboogkleuren om een voorval aan de andere kant van de oceaan, wat goed is, maar cru – ook in de stad die tot een paar jaar geleden bekend stond als gay capital worden mensen neergeslagen en in een hoek gesmeten omdat… ja, waarom, eigenlijk. En neerhoeken is een grootse uiting van iets dat veel kleiner overal is; minigevaartjes, ongemakkelijke stiltes, net iets te lollige grapjes op net het verkeerde moment. Ik weet het heus wel, pure armoe is het hier niet, maar volledige vrijheid evenmin.

‘Waarom laat je ineens mijn hand los,’ vroeg een lief mij een paar jaar geleden.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde ik, ‘automatisch,’ en hij pakte mijn hand weer en even voelde ik me vreselijk ongemakkelijk, we liepen langs een plein vol feestende voetbalsupporters.

‘Ik weet het wel,’ zei ik toen, ‘hier zou ik normaal loslaten als ik even geen zin had in gezeik.’

Hij was mijn eerste vriend, ik had het ook niet aan zien komen. Ik moest heel veel uitleggen aan de mensen om me heen, alwéér, want iedereen was er na honderd jaar net aan gewend dat ik zo iemand was die het met vrouwen deed (‘hoe doen jullie het eigenlijk, mag ik meedoen, ik aaide alleen maar even’). En ik merkte ineens het verschil op straat. Het vasthouden van een hand was niet meer dan dat, geen statement, geen uitzondering. Van de barricades was ik nooit enorm geweest, nu voelde ik ineens allemaal activistische neigingen in me opborrelen maar was ik bang dat het niet meer geloofwaardig zou zijn. Voor de buitenwereld was ik ineens normaal, namelijk, en dan is het een stuk eenvoudiger om roeptoeterend tussen de hooligans door te laveren. Ik had makkelijk praten, bedoel ik, misschien helemaal geen recht van spreken meer.

En dat laatste is natuurlijk onzin; door m’n kop te houden, houd ik op kleine schaal het verschil in stand. Alsof ik, en mensen in dezelfde situatie, inderdaad heel iemand anders worden afhankelijk van de geliefde aan hun hand. Dus ik praat, desnoods te makkelijk, en hoop, en weet, dat ik godzijdank de enige niet ben.

Dit was mijn aller (alleraller)laatste column voor Advalvas

Comments closed

Onterechte zorgen: in aanbouw

Ik leg een verzameling aan van dingen waar ik me onterecht heel even erg hevig zorgen over kan maken. Dit is een fragment.

Appartementen in aanbouw
Bij mij in de buurt staat een hele straat aan nieuwe, onbewoonde appartementen, hoogbouw, nog half in aanbouw, op een braakliggend terrein. Het zijn mooie appartementen die ervoor zorgen dat de rij huizen erachter minder zon heeft.
Ik fiets erlangs en ineens zie ik de aannemer voor me, of iemand van de woningcorporatie of de grondbezitter – ik weet niet hoe dat gaat, in ieder geval is het een man in een grijs pak in een kantoor dat net te koud is door de airco, dat naar cup-a-soup ruikt en dat uitkijkt op een snelweg of een winkelcentrum dat goeddeels leegstaat of een schoolplein, waardoor deze man de hele tijd terugverlangt naar de dagen dat hij buiten mocht spelen en gladde kastanjes in zijn zakken stopte en dat de zandbak soms vaag naar hondenpoep rook maar dat je er toch in ging; die man zie ik voor me, met iets teveel gel in zijn haar en schoenen die knellen, een vriendin die een kind wil, een man die zijn bleke gezicht ontspannen probeert te wrijven met zijn handen, hij denkt God, als die huizen maar verkopen, het zijn er erg veel, waar ben ik aan begonnen. ‘s Avonds probeert hij in slaap te vallen met een verse baksteen in zijn maag.
Arme kerel, en dan vergeet ik ‘m ook nog zodra ik de hoek omsla.

Comments closed

Versleten gebeente

Het winkelmeisje, dat ongetwijfeld eigenlijk aangeduid moet worden met salesperson, keek zeer angstig naar me toen ik haar vroeg of ze me wilde helpen. ‘O God,’ zag ik haar denken, of eerder ‘OMG, like, WTF,’ en in haar hoofd ging ze diverse rampscenario’s af.

1: deze vrouw kan ergens niet bij en dan moet ik helefuckingmaal het trapje pakken.

2: deze vrouw is haar tweede jeugd aan het beleven en wil nu weten welke muziek er gedraaid wordt, maar hoe spel je Rihanna eigenlijk?

3: deze vrouw moet naar de wc, maar is te oud om dat zelfstandig te kunnen. OMG OMG.

Ik vroeg haar naar een T-shirt dat ik een tijdje geleden in de winkel gekocht had, ik wilde er nog eentje, het was mijn lievelings geworden. Ik voegde daar luchtig toe: “Dat weet je natuurlijk altijd pas achteraf,” wat ze niet overduidelijk niet grappig vond, terwijl ik het ook niet grappig bedoeld had. Ze keek even naar het plafond, alsof ze hoopte dat daar iets zwaars uit kon vallen dat mij keurig verpletteren zou, en toen naar de grond, op zoek naar de hendel voor het valluik. Sterven aan ouderdom, zag ik haar peinzen, was ook een optie.

“Dus…” zei ik, in een poging haar weer op gang te krijgen.

“Ik vraag het even voor u na,” antwoordde het meisje, ik veegde subtiel mijn paar grijze haren achter mijn oor.

Ik wachtte en stond daarbij in de weg, er trapten meisjes op mijn voeten en ze botsten tegen mijn rugzak en eentje bleef met hemd vol sexy slierten en gaten en prijskaartjes aan de rits van mijn jas haken, waarop ik terwijl ik haar losmaakte per ongeluk schor van het wachten zei ‘staat je wel goed’ en daarna een beetje dood wilde, zij ook, vermoedelijk. Ik nam plaats onder een hoog opgehangen rij shirts waarop stond: Born in the nineties. In de verte zag ik mijn salesperson met een collega overleggen, waarbij handen ten hemel geheven werden en ogen gerold. Ten langen leste keerde ze terug.

“Dat shirt was niet van deze winkel,” zei ze, “of het komt uit het vorige seizoen,” waarbij ze “net als u” inslikte en ik op mijn beurt niet uitriep dat zij toen zeker nog niet geboren was.

“Succes, mevrouw,” werd me toegebeten.

Een beetje van mijn stuk reisde ik naar het tweede doel van de dag. De Openbare Bibliotheek. Begeleid door de Openbare Bibliotheek-piano (waarom?) waarop iemand een Coldplay-Vanessa Carlton-medley ten gehore bracht (nogmaals: waarom?) en terwijl er op de eerste verdieping een vechtpartij uitbrak en op de zevende een kindervoorstelling begon, vroeg ik aan een medewerker of ze ook een boek over Argentijnse literatuur had.

“Ja!” zei ze blij.

Aangekomen bij het plankje bleek het boek, zoals gebruikelijk in de bibliotheek, op mysterieuze wijze verdwenen te zijn.

“Och,” zei de vrouw, “wat jammer voor je! Misschien heeft iemand anders uit je klas het geleend.”

OMG, dacht ik. Ik zei: “dat denk ik niet,” en vertwijfeld sleepte ik mijn versleten gebeente toch vrij soepel huiswaarts.

Deze (een-na-laatste, mijn God!) column komt uit Advalvas, het magazine van de Vrije Universiteit.

Comments closed

Schrijvers, hitte, schimmen (via Tirade)

Schrijvers vinden het lekker om verzengende hitte te omschrijven, misschien omdat iedereen het gevoel kent van naar adem moeten happen omdat de zon zo schijnt – dat alles stilstaat en jij langzaam verdwijnt in het asfalt of de bosgrond, als water of as, net hoe je pet staat. Daar ga ik al.

In César Aira’s roman De schimmen is het in Buenos Aires bloedverziekend heet op de laatste dag van het jaar. In het haast complete geraamte van wat een flat moet worden bereiden een Chileense nachtwaker en zijn gezin zich voor op het feest van die avond. De vrouwen doen boodschappen, de mannen werken nog in de bouw, er rennen kinderen door het lege complex en men poogt een middagslaapje te doen om de hitte te vergeten, al wordt er niet veel over geklaagd. Die hitte waarvan je leegloopt zodra je zit en een glas water drinkt is vanzelfsprekend maar geweldig beschreven, net als de geesten die in en om het gebouw rondwaren. Een beetje vervelend zijn ze, voor wie ze kan zien, maar ook te gebruiken als wijnkoeler. Op een bepaald moment zitten de schimmen – allemaal mannen, wit geschilderd of besmeurd met stof of kalk, alleen het puntje van hun penis perfect roze en vochtig – keurig naast elkaar over de gehele rand van een schotelantenne. Rondom dus, zwaartekracht is iets voor de levenden. Hoewel niet zeker is of de schimmen de doden wel zijn.

Ik liep op een weg tussen de weilanden en had verschrikkelijk de pest in mezelf. Binnen was het zo koel geweest dat ik geen idee had van de temperatuur waarin ik terecht zou komen tijdens mijn hardlooprondje. Na een paar minuten had ik het opgegeven om er een wandeling van te maken, maar het was al te laat, ik was oververhit. Voor me zag ik weg in water veranderen, boven die weg zweefde van alles, pluis, slome vliegen, generaties voorouders, uitlaatgassen. De sloten roken naar mest, niet uit drinken, niet uit drinken. Eindelijk thuis stond ik lang onder een lauwe douche en daarna duurde het nog een uur voor mijn gezicht zijn normale kleur weer had. Wanhopig staarde ik naar het plafond, waar op zijn rug, handen onder het hoofd en benen over elkaar, met een strootje in zijn bek een schim lag te grijnzen. Mijn kop, dacht ik, die zon, en achter mijn rechteroog voelde het opgezwollen waardoor het onmogelijk was mijn blik te verleggen. Dit is hitte vanaf nu, wist ik, een lachende witgeschilderde man. Ik deed mijn ogen dicht zodat ik hem niet hoefde zien te wenken, je moet niet meegaan met die beesten, dat leer je van Aira.

Deze blog komt van Tirade, waar ik iedere maandag een stukje schrijf. Soms over literatuur, soms over grijze haren of fietshelmen.

Comments closed

Megabedankt, hè? De carrièrespeech.

Hoihoi,

Ik wil jullie allereerst superbedanken dat jullie me hebben uitgenodigd voor dit webinar, geestig ook dat er zo’n hoge analoge opkomstflow is, lekker vintage eventje zo.

Schrijver. Een carrièrepad waar velen van dromen. En toch was ik niet happy met mezelf. Ik ben hier om te vertellen hoe ik mijn levensinvulling 180 graden draaide, en hoop van harte dat iemand hier, of thuis achter de tablèt, er inspi uit kan halen.

Ik miste een stukje beleving naar de mensen toe. Ook mijn dinnetjes merkten: Roos staat niet volledig in haar kracht. Ze hadden gelijk, ik was al maanden depri, tot op het punt dat ik boven mijn kale en beetroot-stampje zat te snikken. Girl, dacht ik bij mezelf, je moet het roer omgooien. Nog diezelfde avond lanceerde ik mijn webstek: een knus online hoekje waar culy’s terecht kunnen als ze, net als ik, van foodporn houden. Het recept voor de stamppot plaatste ik als eerste, en was gelijk een hit.

Achteraf is het weird dat dit besef – ik wil iets met food doen – zo laat kwam. Als kleine meid stoeide ik in de keuken al met de bereiding van complexe pasta’s, ik was een foodie  pur sang, wist meer van ketjap dan van mezelf. De belangrijkste empowerment die ik jullie dan ook mee wil geven, is: volg je passie met je hart. Of je nu iets met mensen wilt doen of met kleurboeken voor volwassenen: overal is een plekje voor je. Kijk naar mij: op het hoogtepunt van de blog had ik duizenden views per dag.

Maar, natuurlijk: het opzetten van een businessje gaat niet zonder slagjes en stootjes. Zoals ik ook altijd tegen mijn ventje zeg: hartjes voor het internet, maar hoed je voor de grapjassen. Zo is mijn blog een keer het doelwit geweest van een Russische Troll farm, dat is een soort legbatterij met in plaats van kippen onderbetaalde internetslaven die lieve dingen over Poetin moeten typen. Sta je dan, met je vlog over vegaborsjt, helemaal onder de bot-propaganda. Bovendien leed mijn webshop verlies: er werd erg veel besteld, maar naar bleek alleen door returnaholics. Echt niet cute, helemaal niet cute, zegmaar?

Toen ik – even lekker helemaal niets –  in het buitenzitseizoen op een foodtruckfestival was zag ik ineens mensen die zó aan het knallen waren dat ik dacht: dit is het helemaal. Zo Joe Jorks en Berlijns! Dat wilde ik ook, maar zonder de wagen: gewoon een simpel winkeltje waarmee ik een unique selling point te pakken had – Skinnylattemoccathundermacchiato’s, gecombineerd met een frietatelier en een popsiclebar. Er was al snel een honderd procent score van bedrijven die wilden investeren, ook omdat ik mezelf nadrukkelijk als ecopreneur presenteer natuurlijk, duurzaamheid is het nieuwe zwart.

Kortom, ik hoefde alleen een oude vuurtoren op te pimpen en het was voor elkaar. Sinds een paar maanden leef ik mijn droom. Als ik genoeg omzet genereer, kan ik zelfs de medehuurder van Rosies lighthouse uitkopen. Dat is een kapper, maar hij doet vreselijk ingewikkeld als ik ‘m zo noem. Nee, hij heeft een Barbershop. Flikker toch op. Ik krijg het niet over m’n mondlippen.

Megabedankt voor uw aandacht.

–> Deze speech gaf ik tijdens een avond  (24 mei, om precies te zijn) ter ere van het boek Waaitaal. Thomas Verbogt schrijft heerlijk over alledaagse woorden die hem opvallen. Denk socialbesitas. Doucheplassen. Voorjaarshaar.

(special thanks, Angélica, voor de mondlippen)

Comments closed

Over Josepha Mendels’ ‘Je wist het toch’

Je wist het toch is een liefdesgeschiedenis en een oorlogsverhaal. Het gaat over Henriëtte Bas en de getrouwde Frans Winter, ook wel Kabouter en Raderdier, die elkaar in Engeland ontmoeten en een verhouding aangaan ‘voor de duur van de oorlog’. Gevoel door drama en opgeblazen romantiek ontbreekt beide personages niet. Kabouter, roept Frans bij ieder afscheid dat ze nemen, Raderdier, schalt Henriëtte haar jonge minnaar terug. Een pop, lijkt hij soms wel voor haar, als ze hem uit een ingewikkeld matrozenpakje helpt bijvoorbeeld.

Zoals je als moeder eigenlijk geen lievelingskinderen mag hebben, is het voor een lezer misschien niet zo netjes om lievelingspersonages te hebben. Tenslotte moet je ze allemaal in context zien, zonder het ene personage had het andere geen nut gehad, alles draagt bij tot het Grote Verhaal, enzovoorts. Hoewel er in de literatuur mijns inziens een groot gebrek bestaat aan onafhankelijke vrouwelijke personages die meer zijn dan een gezellige side-kick, of een zeverend symbool van de zoveelste verloren generatie –   een gebrek aan Henriëttes, kortom, moet ik toegeven dat mijn sympathie volledig uitgaat naar Frans.

Frans is een botte zak. Naast zijn vrouw en Henriëtte houdt hij er nog een trits minnaressen op na (onheilspellend detail: Henriëtte nodigt ze een keer allemaal uit op een soort surpriseparty voor haar geliefde). Op afspraakjes met zijn liefjes toont hij zich niet van zijn galantste kant. Bij hun eerste rendez-vous vertelt Frans aan Henriëtte hoe hij als jongen na het masturberen troost zocht bij een tuinkabouter. Tijdens een vrij rampzalig etentje met een zekere Peggy drinkt hij pure jus, in plaats van het over z’n aardappels te gieten. Bovendien wijst hij haar met sardonisch genoegen op alle verminkte soldaten in hun omgeving. Aan het eind van de date duwt hij haar in een taxi zonder er zelf bij in te stappen– hij heeft heimwee naar zijn kabouter, Henriëtte dus, niet die in de tuin.

Maar bovenal is Frans aandoenlijk. Tijdens zijn onhandige vlucht van Frankrijk naar Spanje, waar het boek weergaloos mee opent, wordt hij beroofd door zijn gids. En dat terwijl die arme Frans zo zijn best heeft gedaan die kerel aardig te vinden, en bovendien – quelle horreur – een espadrille verloren is. Nog voor dat moment, Frans strompelt met twee onhandige aktetassen door bosrijk gebied, denkt hij te midden van al zijn ellende niet aan de oorlog, maar aan de liefde. ‘Vrij,’ mompelt hij, ‘ik ben vrij’ en hij mijmert over het openzetten van zijn hart.

Er gaat wel meer los, bij Frans. Zijn matrozenpakje, ja, maar ook bezit hij na de oorlog ineens een ‘opklapzintuig’. De man die zich voor de oorlog niet vereenzelvigde met zijn Joods-zijn, bespeurt ineens overal antisemitisme. Ronduit ontroerend is de brief die hij, wetende dat ze is omgekomen in een kamp, aan zijn moeder schrijft. Van zijn lichtzinnigheid is niets meer over, ook al heeft hij zoals hij zelf schrijft ‘de oorlog met kinderogen gezien’ en hem, feitelijk, niet echt gevoeld.

Ik las Je wist het toch zonder iets over Josepha Mendels te weten. Achteraf las ik haar biografie, waarin aangetoond wordt dat ze een dame met swag avant la lettre was; ik vind het altijd zo lekker hoopvol om bevestigd te zien dat je als vrouw na je vruchtbare jaren niet direct in een lijkwade achter de geraniums hoeft te gaan zitten, maar bijvoorbeeld op je zeventigste nog kunt debuteren als actrice. Uit de biografie blijkt ook dat Je wist het toch geïnspireerd is op Mendels eigen ervaringen, haar amoureuze voorkeur voor getrouwde mannen, haar verhouding met de dichter Sadi de Gorter. De romanpassages die ik met de grootste bewondering las, de stukken waarin Frans verdwaalt, de brief aan zijn moeder, blijken een stijlmiddel van Mendels geweest te zijn. Zij heeft haar eigen vlucht door haar minnaar laten beleven, en in plaats van de moeder van Henriëtte, dus die van Mendels, komt die van Frans om.

Een autobiografische roman, moet je dat dan noemen. Dat is een term waar ik de laatste tijd jeukerig van word. Dat komt omdat ik zelf een roman heb geschreven, waarin allemaal personages rondlopen die in niets op me lijken. De eerste vraag die door iedereen gesteld wordt is: ‘Het is niet autobiografisch, hè?’

Als ik bevestigend antwoord kan dat op twee reacties rekenen. De eerste is diepe teleurstelling over het feit dat ik mensen zomaar wat op de mouw speld, met als tragisch hoogtepunt iemand die uitriep: je verzint dus gewoon maar wat? De tweede reactie is zo mogelijk nog erger, omdat hij getuigt van een arrogantie die ik onvoorstelbaar vind: ‘Ha,’ zegt iemand gelukzalig, ‘ein-de-lijk een keer een boek dat niet over het leven van de schrijver zelf gaat!’, om daarmee een heel genre teniet te doen en meestal vervolgens toch te gaan vissen naar wat er dan wél echt gebeurd is in m’n boek, maar dat terzijde.

Ik wil in die situaties altijd erg graag bewijzen dat autobiografische romans wél mooi kunnen zijn, en goed, en dat autobiografisch sowieso literair gezien een verdomd breed begrip is. Maar omdat dit soort vragen me vaak en publique gesteld worden, en ik bijgevolg in een constante staat van bibberende paniek en geheugenverlies verkeer, kom ik vaak niet verder dan een suf en schor: ‘Maar Gerard Réve dan!’. Voortaan zal ik iets over Mendels zeggen, wier roman ook zonder dat je iets van haarzelf weet een kunststuk is, niet alleen inhoudelijk, maar ook stilistisch. Ja, van je eigen leven kun je wel degelijk hoogstaande literatuur maken, je hoeft er alleen maar een buitengewoon schrijver voor te zijn. En misschien een eigenzinnige dame.

Deze column las ik voor 19 mei, tijdens een avond ter gelegenheid van het werk en leven van Josepha Mendels, georganiseerd door de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. De biografie van Mendels (Josepha Mendels. Het eigenzinnige leven van een niet-nette dame – Sylvia Heimans) en de nieuwe uitgave van haar roman Je wist het toch zijn verschenen bij Uitgeverij Cossee

Comments closed

Shared Space

Een van de grootste eerstewereldmartelingen, naast niet bij de afstandsbediening kunnen, chips die hun knapperigheid verloren zijn en haperende wifi, is in een stiltecoupé zitten waar mensen niet stil zijn. Natuurlijk: in een regulier treinstel ervaar je lichte ergernis als er achter je vier mensen hun vergadering nog even dunnetjes overdoen (‘die powerpoint van Ria kon écht niet, ze mist dat stukje helikopterview naar de mensen toe’). Zitten er echter in een stiltecoupé twee dagjesmensen met een stom accent hun dagje door te nemen terwijl ze iets uit ritselzakjes nuttigen, ontvlam je in toornige furie, zo erg dat je het risico loopt een sisser te worden; iemand die uit onmacht plots uitbarst in een schelle ‘SSST’, daarbij de overbuurman besproeiend, want zal je net zien dat deze neiging je overvalt terwijl je (vanzelfsprekend zeer geruisloos) een banaan eet.

Dit komt, mensen, doordat er op de ruiten van een stiltecoupé staat dat men stil moet zijn, waardoor elke afwijking van dit officieuze gebod onmiddellijk een asociale overtreding is, vergelijkbaar met in het gangpad van een supermarkt gaan zitten schijten. Zo’n stiltecoupé wekt gewoon veel te hoge verwachtingen over trein en mensheid.

De ontwikkelaars die bedacht hebben dat er achter Amsterdam Centraal een shared space nodig was, moeten deze theorie in hun achterhoofd gehad hebben. Ze zijn allereerst een paar keer gaan kijken naar het spitsinferno veroorzaakt door roedels fietsers die van een pont af racen, scooteraars die fanatiek óver die fietsers heen proberen te rijden en canta’s die overdwars op zebrapaden stil gaan staan om toeristen die het station verlaten uit te schelden. Vervolgens hebben ze gedacht: hier is geen redden aan, zo’n stoplicht maakt het alleen maar erger, weet je wat, we halen gewoon dat hele fietspad ook weg, die fuckers zoeken het maar uit met z’n allen, als er geen regels zijn kunnen ze ook nergens over zeiken. Daarna stapten de projectontwikkelaars in hun Jaguars, overreden soepeltjes een schuin overstekende schoolklas en togen naar hun volgende project, een overdekt winkelcentrum met valkuilen voor een groeigemeente.

De scepsis was groot bij de Amsterdammers. Want zoals iedereen weet zijn het altijd de anderen die regels en rode stoplichten nodig hebben. Die mening ben ik uiteraard ook toegedaan: het feit dat ik toeristen op huurfietsen altijd even een elleboogje geef is dan ook puur opvoedkundig, en dat ik whatsappende fietsers afsnijd dient louter het grotere belang. Zodoende reed ik toen die shared space voltooid was huiverkwaad de pont af. Maar wie schetst mijn verbazing? Er lagen geen lijken op het plaveisel, er brak nergens een vuistgevecht uit en ik zag zelfs een brommer stoppen voor een voetganger. Van pure verbazing kneep ik in mijn remmen en wachtte ik tot een groep Fransen op MacBikes het fietspad bereikt had, alsof het eigenlijk een toom pulletjes was, onderweg naar een kroosrijke sloot. Het was druk, maar harmonieus. Waarom wordt niet dit overal gedaan? Shared coupés, Shared alles!

Alsof met die shared space niet alleen de Dam, maar ook de wereldvrede om de hoek lag, concludeerde ik gelukzalig. Maar dat kan ook aan de zon gelegen hebben.

Deze column komt uit Advalvas

Ondertussen op Tirade blogs over Brussel, Wet Pad, grijze haren, Doeschka Meijsing, fietshelmpjes en de iepenregen.

Ondertussen alhier een berg recensies over Onheilig en een agenda.

Comments closed