Skip to content →

De Anoniemen

Kun je verdwijnen? Blijven ademen en bewegen en eten, janken en liefhebben – maar verdwenen zijn?

Wil je dat?

Niet alleen voor mij verdwijnen, maar voor iedereen die je zelf niet uitkoos. De leerkrachten die jou niet begrepen, de klasgenoten die je bespotten, je ouders die het niet op de goede manier probeerden.

Ja, dat wil je.

Je wilt zo klein worden dat niemand je meer ziet, en je wilt het langzaam doen zodat geen mens het doorheeft dat je er ineens niet meer bent. Jij en al je misstappen en herinneringen krullen zich op en je vouwt je uit aan de andere kant van de koude zee. Daar maak je nietszeggende vrienden. Je verandert je naam, je verhaal. Je doet werk bij een archiefkast, denkt vaak: ik ben meer dan dit. ‘Meer!’ wil je net als vroeger roepen, ‘ik ben meer dan jullie!’

Maar je bent een radertje. Je doet geen goede of mooie dingen, omdat je iemand bent die niet goed en ongenoemd tegelijk kan zijn.

Als het stil is in je leven stuur je me brieven die ik ongeopend wegtief. Dat weet je, want zelfs op de enveloppen schrijf je sorry.

LEES VERDER OP DE GIDS – die hebben namelijk een mooi themanummer, online, waarin heel veel schrijvers het groepsgevoel onderzoeken. We kregen allemaal een letter van het alfabet (ja, waar anders uit eigenlijk) toegewezen. Hier staan ze (o.a. Emy Koopman, Niña Weijers, Wout Waanders en Rob van Essen) allemaal. 

*

Comments closed

Omgang

De Sint Servaasprocessie duurde erg lang en was voor een Hollander die niks gewend is en nergens in gelooft spectaculair en vreemd tegelijk. Op een hoek van de Grote Staat stond ik, mooi vooraan, te kijken naar hoe notabelen en verenigingen, allemaal keurig uitgedost en op makkelijke schoenen, langsschreden. Wanneer zie je dat, schrijden? En gewaden? Vooruit: hier ziet iedereen, maar vooral bepaalde vrouwen, er net iets versgeknipter en deftiger uit, met die bolle blonde kapsels en getailleerde jassen met patroontjes erin. Soms wappert er ineens een oude non voorbij. Maar deze praal, mannen met draagbaren op hun schouders, levensgrote Maria’s, vrome kindertjes met lenteboeketten in hun knuistjes, alles glimmend en in gewijde stilte – zelfs de fanfare die ’s ochtends onder mijn raam jolig opstartte was ingetogen – daar kun je met open mond naar kijken.

Of je ergert je rot, dat is ook begrijpelijk; de winkels zijn dicht, de halve stad staat op zijn kop door een beschermheilige waarvan niet eens zeker is of –ie wel bestaan heeft, je gelooft niet in God, de wierrook slaat op je longen, je wilt er godverdomme langs maar er staan veertig getailleerde jassen en een paar bisschoppen in de weg. Het zou lekker zijn om even heel hard te roepen dat het allemaal idioten zijn in hun apenpakkies, en dat alles schijnheilig is, maar de meeste voorbijgangers kozen voor een passief-agressieve aanpak; gewoon oversteken. Hup, langs een non, of recht door een vroom zangkoor, kinderwagen vooruit en peuk omhoog. Omlopen voor God, dat is voor laffe schapen.

Ik vond het allemaal mooi. De praal, de chagrijnen, de stad. Heel vaak moet ik hier aan een van mijn wijlen oma’s denken, de moeder van mijn moeder. Die hield van mooie dingen en chique zaken, maar werd tegelijkertijd nogal rebels van de kouwe kak eromheen. Misschien omdat ze uit de Jordaan kwam toen het nog een volksbuurt was, of misschien is het iets in de genen, want al haar nazaten worden in dit soort situaties geloof ik verscheurd tussen bewondering en spot; ook ik bemerkte halverwege de processie dat er iets knapte in mijn kop. Het was net of oma vanuit een hemel waarin ze niet geloofde op mijn schouder landde en spottend zei: wat een poppenkast. Ineens ergerde ik me ook. Niet aan de processie (ze doen maar, als het loutert) en niet aan de overstekende mensen (idem) maar wel kreeg ik haast een fysiek allergische reactie op de vrouw die naast me stond.

‘Dat gekanker de hele tijd,’ fluisterde mijn oma me in met de stem die ik bijna vergeten was, zwaar van de sherry en sigaretten.

Gelijk had ze. De vrouw, in een veel te keurig pakje gestoken en met haar dat zo hard glansde dat ik er bijna sneeuwblind van werd, stond aan een stuk door heel devoot te zaniken over de overstekers.

‘Respectloos!’ zei ze net iets te hard, of ‘tuttuttut!’ of ‘Nou JA!’ of ‘Óngelóóflijk’.

Ik keek op mijn horloge: de processie duurde al een half uur en die vrouw was al een half uur aan het mopperen. Steeds luider, soms stootte ze me aan, kennelijk in de veronderstelling dat ik net zo devoot was als zij. Ze schudde de hele tijd afkeurend met haar hoofd. Ik vroeg me af wat haar God vond van haar gedrag, probeerde me dat niet af te vragen, wat weet ik tenslotte van goden en heiligen?

Ik dacht aan de keer dat mijn geweldige oma iemand van z’n fiets trok toen hij ons bijna aanreed, aan de keer dat ze driftig een metrodeur openwrikte terwijl het rijtuig zich al in beweging had gezet, aan de klap die ze keihard op een motorkap gaf omdat –ie te hard glansde of zoiets en aan alle keren dat ze – net door rood gelopen, met in haar tas boodschappen die ze lekker niet gescand had bij de supermarkt, luidkeels discussies aanging met mensen die haar niet aanstonden. Je zag het aankomen, opborrelen, en je hoorde haar dictie van keurig ABN naar Amsterdams verschuiven.

Daar ging ik. Het was het parfum van die vrouw, de lippenstift die in haar mondhoeken korrelde, de welvaart die van haar afdroop, dat glanzende haar, het was het tasje aan haar onderarm en die vrome kaklakschoenen, het was haar schouder tegen de mijne, alsof ik iets met haar te maken had, en vooral was het dat gezever door een haast fluisterzachte stoet.
Nee, dacht ik, ik doe het niet. Anderewang, andere wang, anderewa-
Oma gaf me een zetje.

‘Mefrouw,’ zei ik ondanks al mijn voornemens in haar oor.
Ze staakte haar gejammer.
‘U seurt er dorheen.’

Daar ging oma weer, vast heel tevreden met haar onstoffelijk nalatenschap in de vorm van de genetische afwijking van Het Je Muil Niet Kunnen Houden. Ik was weer alleen. Schaamde me dood.
De vrouw was stil en kwaad.
‘Het gaat om respect,’ zei ze toen.

Ik zei niet: respect me reet. In plaats daarvan wachtte ik in besmuikt zwijgen een pauze in de processie af. Heel langzaam, in de hoop dat de vrouw het niet zou merken, gleed ik zijwaarts met de bocht mee een stuk verder de straat in. Daar ademde ik zo hard wierrookdampen in dat ik me haast in de Heilige Geest verslikte. Naast me barstte een winkelmedewerker die goddomme gewoon z’n winkel open wilde doen in lachen uit.

‘Gezondheid,’ zei hij.
‘In godsnaam,’ zei ik met een stem zo zwaar dat ik er iemand anders in herkende.
Hij bood me een sigaret aan. Samen zaten we de omgang uit.

Comments closed

Dramatick

Iets langer dan een maand woon ik nu in Maastricht. Veel meer dan de binnenstad heb ik nog niet gezien, want ik moest vaker heen-en-weer naar Amsterdam dan ik eigenlijk wenste en er kwamen een suffe lentegriep en een reis naar Boedapest tussendoor. Sowieso ben ik langzaam met wennen. De eerste weken heb ik nog net niet (als een bange kat langs de muren) alleen de route van mijn huis naar de academie afgelegd. Bovendien is de hemel de hele tijd regengrijs of deprimerend wit, terwijl mijn inmiddels lentebeige gemoed best zon en blauw kan gebruiken.

Vandaag, of eigenlijk gisteren, was ik klaar met mezelf. Toen mijn wekker ging dacht ik: mooi niet. Na een dag vol zaterdagkranten en het minimale aan werk sleepte ik mezelf naar een film: Django. In de folder van Lumière las ik dat de muziek voor die film is gemaakt door het Rosenberg Trio. Wat ik van de film vond weet ik eigenlijk niet zo goed, maar de muziek was prachtig.

Thuis, onder de douche, voelde ik me schuldig over het kopje koffie dat ik vlak voor de avondfilm had gedronken. Ik had totaal geen zin om te gaan slapen. Misschien, dacht ik, moet ik gewoon eens een nacht doorhalen, omdat het kan. Maar dat was natuurlijk geen goed idee want als ik daar eenmaal aan begin blijf ik bezig.

Toen vond ik een teek onder mijn oksel, net aan de zijkant. Van die ene zonnige dag dat I. en ik naar de Amsterdamse Waterleidingduinen waren gegaan om vossen en hertjes te zien. Nergens in huis een pincet natuurlijk, en mijn nagels had ik net geknipt waardoor ik zelfs niet kon improviseren. De teek was groter dan de zeven teken die ik twee jaar geleden uit mijn benen tekentangde, en gatverdamme pootjes lijfje beest een beest in mijn huid – ik ging op bed liggen om te slapen. Kreeg dat beest echter niet alleen niet uit mijn oksel; ook mijn hoofd was nu gevuld met TEEK.

Over de app consulteerde ik I., die een schaar suggereerde of het bellen van een huisartsenpost. A., met wie ik op z’n tijd lustig medische mysteriën uit kan wisselen stuurde me direct het nummer van de huisartsenpost.
‘Maar het is nacht!’ appte ik.
‘NOU EN’ appte A.
Ik ging weer liggen en probeerde niet aan de teek de denken. Niet zo aanstellen, stadsmens, dacht ik de hele tijd, het is maar een beestje, vroeger hadden we katten die soms onder de knikkers zaten en ik heb ongetwijfeld weleens een regenworm gegeten.
‘BEL DIE HUISARTS!’ appte A.

De dame aan de telefoon was heel leuk. Ze vroeg of de teek groot was (redelijk, hij doet wat een teek moet doen), of ik ademhalingsproblemen had (nee, al lette ik ineens op mijn ademhaling en overviel me een oeroude angst, namelijk dat ik er gewoon mee zou stoppen omdat ik erover nadacht), of het rood was (ja) en hoe lang hij er al inzat (gatver, twee dagen) (sorry dat ik je hiermee lastig val, zei ik ook, en dat ik niet moeilijk wilde doen of zoiets, maar even wilde checken of – ), ‘ja,’ zei ze, ‘kom maar even langs, dan halen we ‘m eruit.’

Googlemappend door Maastricht-by-night fietsen, een nachtwachtkamer, ik had net zo goed het woord DRAMAQUEEN op mijn voorhoofd kunnen schilderen, zo gezond was ik. Maar een mooie dokter haalde de teek weg. Ik moest erbij liggen, ook zoiets dramatisch.
‘De eerste teek dit jaar!’ zei hij, en hij bekeek ‘m even goed onder een lampje. ‘Dood.’
Ik zei ‘net goed’ maar de arts had al de hele tijd niet op mijn verontschuldigende grapjes gereageerd.

Bij de nachtapotheek haalde ik twee preventieve antibioticapillen die ik thuis – al kwart over twee, goddomme – braaf innam.
Ja, dacht ik. Nu kan ik net zo goed wakker blijven. Ook omdat mijn hele lijf nu uiteraard onder de fantoomteken zit, en ik ieder moment diverse andere parasieten onder mijn huid verwacht. Het goede nieuws is dat ik de hele tijd ben blijven ademen, de kop koffie maximaal heb benut en eindelijk wat meer van de stad zag, zoals de maan, rond als een weldoorvoede teek, schitterend op de Maas en in een hemel zo helder dat ik zeker weet dat hij was het nu middag geweest, zomerblauw zou zijn.

(foto via

*

Comments closed

Normaal

Nu moeten we allemaal normaal doen en omdat dat moet wil ik het niet, ik wil niet normaal doen, probeer te bedenken hoe ik zo abnormaal mogelijk kan zijn.

Maar ik mag alles. Zelfs als ik voortaan mensen van hun fiets schop, voortuintjes verniel, pussies grab of mijn blote reet tegen de voorruit van Rutte duw mag ik blijven. Ik ben wit, Nederlands, vrouw, queer; vandaag zijn die eerste twee zaken een garantie voor mijn veiligheid – ik krijg een diagnose als ik het te bont maak, geen uitzettingsbevel – en die twee laatste bewijslast waar de politiek mee kan zwaaien.
‘Dit is hier normaal,’ zeggen ze: ‘We houden van onze vrouwen en homo’s, als je daar moeite mee hebt rot je maar op.’

Ik wil niet dat er opgerot moet worden, ik wil in gesprek. Ik wil ruzie ik wil discussie ik wil schreeuwen en ik wil tussen de glitternichten op een boot staan, niet voor Den Haag maar voor iedereen die moet wennen aan het bestaan van glitternichten en knipperpotten. In het bestaan bestaat er wrijving. Ik wil geen normaal, ik wil begrip, ik wil meer gutmenschen, ik wil tussen de jongens hangen die te horen krijgen dat ze nergens goed voor zijn en met de meisjes die abnormaal gevonden worden door hun hoofddoek maar dat ben ik niet. Ik ben normaal. Voor mij worden wetten gemaakt, voor mij worden de scherpe hoeken van het bestaan afgerond. Ik kan te pletter vallen, maar op Hollandse rubberen tegels – niet de grens van een land door.

Laat me niet normaal zijn is de arrogantste wens die ik kan hebben, het smeken om leed zodat ik het me toe kan eigenen – brandstof zoeken voor een gevecht (ja, ik wil een gevecht!) zodat ik het ook kan voeren. Zodat mijn uithalen gericht zijn, en niet in het luchtledige uitwaaieren tot er alleen maar van overblijft dat ik het recht heb op het uiten van mijn mening.

Ik wel.

*

Comments closed

(achterstallig) Nieuws

In Tirade verscheen een essay van mijn hand, over geëngageerde literatuur en het rechtop zetten van omgevallen schapen

Op De Correspondent verschenen enkele artikelen rondom Onheilig. Hier een interview en hier een bespreking, bijvoorbeeld.

Op Aicha Qandisha een kort verhaal van mijn hand.

Ondertussen is de derde J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt. De prijs is opgezet door een groep korteverhalenliefhebbers, waaronder ikzelf, vandaar dat ik het even met trots wil melden. P.S. lees meer korte verhalen.

Over korte verhalen gesproken: voor NRC bespreek ik met zekere regelmaat vertaalde boeken. Bijvoorbeeld de meesterlijke verhalenbundel van Donal Ryan. Ook schreef ik een essay over de minstens zo geniale Shirley Jackson.

De Volkskrant riep me uit tot literair talent van 2017. Een beetje voorbarig misschien, maar heel eervol en ik mocht met een confettischieter op de foto en heel veel vertellen over de boeken die ik mooi vind.

Als u na al deze ontzettende bescheidenheid (zucht) nog meer aankunt, kunt u ook naar Amsterdam, Nijmegen, Purmerend, Rotterdam of Boedapest afreizen, ik draag voor, leesclub, ik interview mensen, enfin, zie ook de agenda. Van april tot en met juni verblijf ik aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht als gastschrijver.

Als u me zoekt, ik ben even een berg essays lezen ( <3 ).

Comments closed

Groene

Voor ’t winternummer van De Groene Amsterdammer schreef ik een (kerstloos) kerstverhaal: ‘De vorm van een land’. Te lezen in het papieren exemplaar (prachtig geïllustreerd door Dick Tuinder) en via Blendle.

 

Comments closed

Afleidende bijzaken

schermafbeelding-2016-10-30-om-22-24-37Schrijvers die het hebben over hun schrijfproces: ik vind het moeilijk. Achteraf kan ik het hebben, dat ze vertellen hoe ze op personage A kwamen en op motief B, al lees ik liever gewoon het boek. Schrijvers die het in het openbaar hebben over het schrijven van hun huidige project: hmmm. Online screenshots van woordaantallen, foto’s van verhaalschema’s, foto’s van onleesbare aantekeningen, foto’s van een stapel printpapier met rooie kringeltjes erin: meh. Ik snap het wel: het is fijn om je omgeving, terwijl je als een maniak aan je manuscript zit te werken, te laten zien dat je nog leeft. En als je na drie jaar afwisselend naar een knipperende cursor staren en vruchteloos duizenden woorden typen eindelijk over de 40.000 woorden heen zit, heb je misschien behoefte aan een schouderklop of applaus. Maar ik denk dan: joe, ik merk ’t wel als je boek af is hè. Dat heeft ongetwijfeld te maken met dat ik over het algemeen ook niet erg gevoelig ben voor ‘kijkjes achter de schermen’ (behalve als het achter die schermen heel spectaculair is, met veel vuur en mooie kleuren, zoals bij een glasblazer, of heel hoog, zoals in een hijskraan) of – en deze is tricky – de biografie van kunstenaars en schrijvers (tenzij met veel vuur en mooie kleuren, drank en hoeren kennen we nu wel). In die laatste categorie bestaan natuurlijk uitzonderingen, want een goeie biografie, biopic of een goed interview kan een kunststuk an sich zijn. Toch kennen mijn twee desinteresses – die stapels printpapier en die biografieën – misschien dezelfde oorsprong: het is namelijk je reinste demystificatie – ik mystificeer mijn helden graag. En soms is het gewoon kokette aanstellerij, bijvoorbeeld in geval van een overdaad aan online voortgangsverslagen, schrijven over je eigen schrijfproces of nodeloze autobiografieën.  Doe gewoon je ding, schrijvers, applaus volgt wel tijdens je boekhandelstoernee. Suck it up.

leonid_pasternak_-_the_passion_of_creationDit gezegd hebbende wil ik het even over mijn eigen schrijfproces hebben. En dan niet alleen dat van mijn volgende roman (huidige stand: 5000 woorden waarvan minstens 4000 poep, bedankt dat u ernaar vraagt) (hairflip), maar dat van alles bij elkaar; recensies, columns, blogs, verhalen, essays, de dingen die ik schrijf of eigenlijk zou moeten schrijven. Iedere keer als ik ergens aan begin, gaat het hele internet and beyond door mijn achterhoofd, of eigenlijk niet het hele internet maar een heel klein kruimelig hoekje ervan, waar je, als je er eenmaal in zit, verdomd moeilijk uitkomt, tenzij je het voor elkaar krijgt niet op social media te kijken maar daar ben ik persoonlijk te millennial voor. Het Literaire Internet. Een flauwe doch dikwijls correct gespelde afspiegeling van wat er in de echte wereld gebeurt, gelardeerd met polemieken tussen veelal heren uit de polemische generatie of met tenminste sympathieën in die richting, en een aantal flinke gewetensvragen.

cover_of_gutter_star_by_dorine_b-_clark_-_illustration_by_frank_uppwall_-_intimate_novel_1954Dan schrijf ik een roman met een mannelijk hoofdpersonage en denk ik nee dat moet een vrouw zijn want waarom schrijven we de hele tijd maar over mannen, alsof het echt zo is dat een mannelijk personage een soort blanco canvas is zonder afleidende bijzaken en bij vrouwen ineens alles uitgelegd moet worden, en dan verander ik ‘hij’ in ‘zij’ en ben ik ineens een kneiterlesbische zeikroman met veel te veel uitleg aan het schrijven, wat is daar mis mee vraagt u, nou helemaal niks, maar het overschaduwt de rest van het plot zo, en waarom schrijf ik eigenlijk geen Grote Geëngageerde Roman, nou, is het niet al genoeg dat ik niet over mezelf schrijf, nee, dat is niet genoeg, het moet Over De Wereld Gaan, maar ik heb helemaal niks van de wereld gezien, en dan verander ik die zanikende lesbo maar weer in een witte man van middelbare leeftijd en ga ik mezelf een beetje haten, maar dat zal wel weer komen omdat ik een vrouw ben.

Dan heb ik een mening over of schrijvers elkaars boeken moeten recenseren en schrijf ik die op maar heb ik na een aantal zinnen überhaupt geen zin meer om daar een mening over te hebben, want de literaire sector bestaat uit ongeveer vijftien mensen die zich heel druk maken om de literaire sector en de rest van lezend Nederland zal het werkelijk aan de reet roesten, maar als helemaal niemand meer een mening over dat soort dingen zou hebben zou het vrij rampzalig zijn, want de literatuur moet toch levend blijven, en het zou jammer zijn als die alleen in leven gehouden werd door louter (al dan niet mentaal) belegen kerels, echter, waarom ga je elkaar in het openbaar te lijf met vuile stukjes en niet gewoon telefonisch of zo, maar, dan onderschat ik weer het hele genre van de polemiek, en, doe ik nu iets heel belangrijks af als stijloefening, dus, kom ik eigenlijk nog wel eens ergens anders dan op een boekpresentatie, nee, en dan bel ik mijn moeder of we in godsnaam even ergens zonder literatuur in de buurt wijn kunnen gaan slempen, hoe ben ik hier eigenlijk beland, na zes bier klink ik als een ouwe Jordanees en eergisteren woonde ik nog in een nieuwbouwwijk en dacht ik dat De Groene Amsterdammer een blad voor natuurvrienden uit de stad was.

1024px-voor_de_vuist_weg_1971-02-26_-_tante_leen__johnny_jordaan_1Dan vind ik het echt heel belachelijk dat er mensen zijn die beweren dat er een absolute vrijbrief moet zijn voor het reproduceren van racistische stereotyperingen in Naam Van de Kunst, dan wil ik daar iets over opschrijven, maar dan denk ik: heb je Roos, met d’r donkerblonde haar, d’r witte vrienden en d’r keurige ouwelijke dictie tenzij zes bier, anders hou ik gewoon mijn geprivilegieerde muil even in het openbaar, en dan bel ik iemand op om even tegen te fulmineren, wat dus geen schrijven is, wat verdomme geen schrijven is.

Dan wordt er om de zoveel maanden een boek onterecht bejubeld en zou het op zich wel prettig zijn als iemand even zou opschrijven dat het een matig boek is, maar ik ben dus niet degene die dat gaat doen, ik hou van niet zeiken, in ieder geval niet over Nederlandseboeken, want dan vallen die vijftien mensen over je heen en daar is het leven te kort voor, en God, iedereen moet het toch eigenlijk lekker zelf weten levenlatenleven etc., ik hef zes glazen bier en biets een peuk, roep tegen mijn literaire vertrouwenspersonen ‘dit is een kutboek’ en daarna ga ik ergens shoarma eten en neem ik preventief een paracetamolletje.

Maar ondertussen ben ik dus zo hard bezig met niet over al die dingen schrijven, me keurig op de vlakte houden, alles doodnuanceren en relativeren, dat ik terstond ook niet meer kan schrijven over dingen die helemaal niks met bovenstaande kwesties te maken hebben. Er zijn Belangrijke Dingen aan de Hand, tenslotte,  in die kruimelige literaire hoek maar vooral in de rest van de wereld, hoe kun je het dan nog hebben over de neusverkoudheid waar je eigenlijk deze blog aan wilde wijden? Wie zit daar op te wachten? Helemaal niemand, nee. Inderdaad: suck it up.

fredott

 

Hallo, lezer die ’t tot het eind van deze tekst gehaald heeft. Dit is een tirade die oorspronkelijk op de site van Tirade verscheen. Daar schrijf ik meer, en met mij vele anderen, lekker lezen dus. 

 

Comments closed

Afhankelijkheid

“Mijn vader ligt diep in zijn kussen op een bed op de intensive care in een wirwar van draden, er zijn machines die hem in leven houden en artsen die geen tijd hebben, ik heb net staan schreeuwen dat ze me binnen moeten laten, dat ik zijn dochter ben, dat het me geen reet kan schelen of ik door een bewusteloze man als officieel contactpersoon ben aangemerkt of niet. Er was een receptioniste met een slechte dag, ik was onredelijk, riep tegen haar dat ze er goddomme maar iemand bij moest halen, een baas, de beveiliging. In mijn broekzak ging mijn telefoon, het was mijn werk, ik nam niet op.”

De Correspondent publiceert een serie essays onder de noemer ‘Afhankelijkheidsverklaring’. Mij werd gevraagd of ik hier een bijdrage aan wilde leveren en dat deed ik

Prachtig geïllustreerd door Pieter van Eenoge.

Comments closed