Me too, ik ook

‘Me too’
Social media staan vol met de woorden.
‘Ik ook’
Je plaatst ze als je ooit te maken hebt gehad met seksuele intimidatie of seksueel geweld. Het is een initiatief van Alyssa Milano, Hollywoodactrice, die een anoniem gebleven vriend(in) (fijn, dat neutrale ‘friend’) aanwijst als brein achter het idee.* Als iedereen zich uitspreekt, is de gedachte, wordt de omvang van het probleem zichtbaar.

Me too, ik ook, me too; iedereen die de woorden plaatst kan te maken gehad hebben met een scala aan agressiviteiten. Vies nagefloten worden, keihard verkracht zijn, die twee krijgen met een actie als dit hetzelfde gewicht. Wat inderdaad de omvang van een groot probleem aankaart; het lichaam van vrouwen (vooral vrouwen, maar ook een hoop mannen) dat zomaar beoordeeld, aangeraakt, geseksualiseerd mag worden, ook als de vrouw (ik hou het even bij die vrouwen want ik ben er een) in kwestie gewoon even in haar huispak naar de supermarkt slentert. Ik schrijf dit en schrik er zelf van; als een vrouw danst, of een minirok draagt, of aantrekkelijk lacht of veel tiet laat zien, mag je er ook niet aanzitten zonder toestemming. Ook niet heel even en ook niet als niemand het ziet – er is nooit niemand die het ziet, overigens, want die vrouw heeft waarschijnlijk ook ogen of andere zintuigen waarmee ze merkt dat er iets misgaat en je bent er verdomme zelf ook bij, met je geweten en je mores. Het gaat natuurlijk ook niet alleen maar om ‘aanzitten’. Het gaat ook om naar zo’n vrouw kijken, een vriend (m/v) aanstoten en zeggen: die zal zich wel omhoog geneukt hebben, want als je al tieten hebt kun je niet ook nog hersens hebben.
Enfin, ik dwaal af naar alles wat al duizend keer gezegd is en nog steeds gezegd moet worden.

Even bekroop me de bekrompen gedachte dat die ongewenste fluitjes, die ‘hee lekker wijf’, dat ‘mooie tieten’, zo’n ikookactie enigszins zouden eroderen. Want is dat niet een beetje deel van het dagelijks leven? Moet je daar eigenlijk gewoon effe niet zo over zeiken? Maakt de ‘me too’ van iemand die ‘alleen maar een keer’ een hand op haar kont heeft gevoeld in de metro, die van iemand die in haar eigen bed verkracht is minder waard?

Waarom denk ik zo? Waar ligt dat aan? Hoezo ga ik, De Grote Ik, nu weer beoordelen wie waar last van heeft, hoezo is mijn eerste reactie kritiek? Omdat ik pas ballen heb als ik zeg dat mensen niet moeten zeiken, misschien. Omdat mijn eerste reactie op dit soort initiatieven altijd nogal zuur is. Wat helpt dat nou, denk ik dan. Wat gelijk het antwoord op dezelfde vraag is, trouwens, want dit helpt het, je gaat erover denken, zelfs als je je in dezelfde bubbel (zucht) bevindt als degene die zich uitspreekt.

Wat betreft dat geërodeer: hoe open je ook wenst dat zaken als dit besproken kunnen worden: net als dat je niet zomaar je hand op de kont van een vreemde legt in de metro, kun je niemand dwingen haar hele (pijnlijke, precaire) verhaal te vertellen – al is dat soms de enige manier waarop het voor mensen duidelijk wordt dat het écht is, écht gebeurt, ook bij iemand die ze kennen van werk, school, tv, familiefeestjes. Degenen die wel het lef hebben zo open te zijn mogen wat mij betreft indien ze dat prettig vinden op een ereschild rondgedragen worden, maar wie ben ik, enzovoorts.

Nu doen we ’t met een ‘ik ook’. En de verontrustende gedachte dat daar werkelijk van alles achter kan zitten, ook die dingen die je niet wilt weten, veel vaker dan je denkt, ik ook, ik ook.

*update: Nee, het was Tarana Burke die er aanvankelijk mee kwam. ‘Me too’ als beweging, niet als simpele hashtag.

Postgay

Het is vandaag coming-out dag. Je kunt er een heleboel van vinden, dat er een dag is speciaal gewijd aan het uitkomen voor je geaardheid, je kunt ook gewoon je klep houden en denken: als iemand daar wat aan heeft is het alleen maar goed.

Als ik vroeger dreigde te moeten of willen te vertellen dat ik een vriendin had, voelde het heel even alsof de hele wereld in een rottempo samen gezogen werd in mijn borstkas, zo eng vond ik het. Nare reacties waren het probleem niet eens zo, eerder het feit dat het vaak duidelijk werd dat ik voortaan nog voor ik Roos was, met allerlei goede en slechte eigenschappen, interesses, een grote voorliefde voor kaasfondue, dat soort dingen, toch vooral die ene lesbo was. Maar verzwijgen deed ik het ook niet. Leer het maar, dacht ik vaak, wen er maar aan. Na een tijdje was het allemaal zo eng niet meer natuurlijk, en waren anderen er meer mee bezig dan ik.

Die hele riedel moest opnieuw toen ik ineens een vriend kreeg – paste niet in het plaatje, was het dan allemaal een fase, of is die kerel een fase, ben je nu niet meer lesbisch, ben je nu helemaal hetero, ja Jezus mensen, weet ik veel, zullen we het anders even over de gestegen tarieven voor het openbaar vervoer hebben, of je laatste vakantie?

Iedereen moet de hele tijd geduid worden. Vandaag in Het Parool, over een nieuwe generatie LHBT(QI – enz enz)’ers:

“Sociale wetenschappers noemen hen ‘postgays’. Ze geloven niet in het klassieke onderscheid tussen homo en ­hetero, of zelfs dat tussen man en vrouw. Seksuele identiteit en gender zijn fluïde, vinden ze. Ook willen ze zich niet hoeven verantwoorden voor hun seksuele geaardheid. Hetero’s hoeven hier toch ook niet voor uit te komen, stellen ze.”

Postgays. Ik word al moe als ik zo’n term lees, zie gelijk ook allemaal moeilijke kapsels en broeken in rare lengtes voor me (of postbezorgende nichten, maar oké). Laatst sprak ik iemand die uitriep: ‘is er dan in godsnaam niemand meer gewoon lesbisch?’. Tuurlijk wel, net als dat er een heleboel mensen kneiterhetero zijn of die-hard homo.

Maar ik snap het ook wel weer, dat gepostgay. Je legt het probleem – dat er helemaal niet zou moeten zijn – bij de ander: als jij me niet snapt, moet je daar zelf maar mee dealen, now if you don’t mind, ik ga verder met mijn leven dat uit meer bestaat dan ‘of er wel eens geschaard wordt’.

In het artikel wordt benadrukt dat het gaat om een kleine, geprivilegieerde groep jongeren. Die kunnen dat maken. Daar kun je vol dédain naar kijken. Je kunt ook hopen dat iedereen ooit alles kan maken, dat het ergens moet beginnen.

 

Muze

Ik kocht een museumjaarkaart en liep FOAM in. Er hing moois en minder moois en dingen die vast heel interessant waren maar nog steeds niet mooi, moet kunst mooi zijn, nou nee (al is het wel een pré naar mijn bescheiden neanderthalermening). Ik houd gewoon van mooie fotografie en was daar niet om verlicht te worden maar om even een esthetisch bevredigende ervaring op te doen. Dat lukte heel goed bij het werk van André Kértész (Hongarije, 1894 – VS 1985) die in onder meer Hongarije, Parijs en New York fotografeerde. Veel zwart-wit, ook toen het al in kleur kon, veel lijnen, veel straat.

Wie ook een esthetische ervaring leek te beleven was de verfrommelde man met het kunstzinnige brilletje dat heel toevallig steeds bij mij in de ruimte stond, en dan heel graag naar de foto’s wilde kijken waar ik ook naar keek. Hij liep rond met een houding die iets uitstraalde, op recepties zou vast iedereen denken dat hij iets heel belangrijks was in de Amsterdamse art-scene in de jaren zeventig, of zoiets, maar nu kwam -ie op me over als een kerel die ieder moment iets over muzes in mijn oor kon gaan fluisteren. Het slag dat me in een café onaangekondigd om de middel grijpt en zegt: ‘je bent zo lekker petite!’

Hij kwam net niet dichtbij genoeg om er te iets van te zeggen, en staarde net niet lang genoeg om te vragen of -ie het wel goed kon zien. Ik was net te moe om me hevig te ergeren.

Buiten liep ik rond met die misplaatst (ja, toch) verlichte blik die mooie foto’s je kunnen geven. Dáár zou ik een goed beeld van kunnen maken, die tram en dat waarschuwingsbord en die toeristen op de brug en die vrouw in het knalroze, met lippenstift tot onder haar oren. Maar dan denk ik al snel: dat kunnen anderen veel beter dan ik. Met schrijven heb ik precies hetzelfde, maar dat ga ik dan toch doen. Ik weet niet waar hem het verschil in zit.

Eerste klas

Terwijl het land van Amsterdam tot Venray langsschoot – plat, weilanden, steden, dorpen, niks, volkstuinen, heuvels, andere steden, boerderijdieren, naaldbomen – verloor ik al mijn plannen. In m’n tas zat een boek dat ik nog moest lezen, het bleef erin zitten, dat gebeurt altijd in de trein; laat me vanuit iets bewegends naar buiten kijken en ik ben uren zoet. Het was koud in de coupé maar met een jas aan ging het wel. Af en toe materialiseerde in de stoel tegenover me bijna een dode waarvan ik weet dat ze net als ik erg van treinreizen hield, haar stem kwam omhoog van de bielzen en omlaag uit de wolkenlucht, het was goed, ik werd er rustig van. Het kan louterend zijn de doden bij je te dragen – niet letterijk uiteraard – met nadruk op kan, als ze allemaal tegelijk komen spoken ga ik liever even iets anders doen, dat boek lezen, een vriend bellen. Ik reisde eerste klas, omdat je soms in weekenden voor vijf euro een upgrade kan krijgen.

In Venray gaf ik een lezing voor een publiek dat zo stil was dat ik halverwege vroeg of ze niet sliepen, toen moesten ze hard lachen, het was aandacht.

Terug was de reis net zo kalm en net zo eerste klas. Ik voel me overal thuis, dacht ik, bij het hele landschap. Betekent dit dat ik me een Nederlander voel? Dat de vlakke natte weilanden net zo vertrouwd zijn als het glooiende zanderige zuiden, dus – ja, ik denk het, ik ben heel Nederlands, in allerlei opzichten. Maar zoiets opschrijven impliceert weer van alles. Ik vierde nooit een kringverjaardag, iedereen kan mee-eten, en die hele hoeksteennormenwaardenzooi ach nee, terwijl ik wel veel te direct ben en oernederlands luid. Het is een kwestie van aanleg denk ik, je thuisvoelen op de grond waar je toevallig geboren bent, het heeft meer met die grond te maken dan met de mensen. Er zijn er zat die dat helemaal niet hebben, die willen de hele tijd weg omdat ze klaar zijn met pvv’ers, de werkmentaliteit, met witte driekwartleggings en De Wereld Draait Door. Ja, denk ik dan, mensen kan ik overal zat worden. Maar dat platte groen en dat heuvelige löss!

Maar goed, dat heeft misschien weinig met een volksidentiteit te maken, dat heeft gewoon te maken met aan vasthouden aan je bekende uitzicht. Lekker, vind ik dat, maar soms wilde ik iets meer verlangen naar verre bergen en onbekende kliffen.

Ik zat me erg thuis te voelen, kortom, in die trein die ook nog eens naar het thuist aller thuizen denderde, Amsterdam. Als ik daar te lang niet geweest ben moet ik altijd even een blijbibberige ademteug nemen als ik binnenrijd. Wel had ik inmiddels dat boek uit mijn tas gepakt. Bij pagina vier kwam kwam er een ouder stel de coupé in, waarvan de man me lang monsterde. Toen draaide hij zich om naar zijn vrouw en zei: weet je zeker dat dit de eerste klas is?

‘Nee,’ wilde ik zeggen, ‘u zit inderdaad verkeerd, ik zou maar snel omkeren,’ en dan een galmende boer laten.
Dat deed ik helaas niet. Ik kuchte passief-agressief en sloeg een bladzijde om, hoopte dat er iemand bij ze zou gaan spoken.

Mag het licht uit

Terwijl de vrouw knipte probeerde ik: misschien iets korter bij mijn oor. Misschien is die lok wat zwaar. Anders haal je nog iets van de achterkant af, nu heb ik een matje.

Het werd steeds korter, mijn haar, en het zag er steeds erger uit. Normaal ga ik naar een fantastische kapster, maar die is geblesseerd en mijn haar werd te lang en ik ben ongeduldig dus daar zat ik, met zo’n lullig capeje om naar mijn eigen hoofd in de spiegel te staren. Wat een rare kaak, eigenlijk, dacht ik. En wat een wallen. Beetje doorleefd, beetje ongezond, beetje flets, mijn hemel, kan iemand het licht uitdoen.

‘En als je het iets meer… in laagjes knipt?’ piepte ik, ‘Je moet het verder zelf weten, jij bent de expert, maar eh…’

Ik wil helemaal niet iemand zijn die zich druk maakt over haar kapsel, of haar huid, of de wallen onder haar ogen. Ja, als je niet lekker geslapen hebt zie je dat, en als je ouder wordt verjaart je verpakking mee, doe niet zo moeilijk.

‘Prachtig hoor,’ zei ik automatisch toen het klaar was.

Ik wil ook niet iemand zijn die automatisch ‘prachtig’ zegt als iemand ervoor heeft gezorgd dat ik eruit zie als een kruising tussen Carry Slee, Harmen Siezen en zo’n kaal hondje met een kapseltje. Maar dat ben ik dus wel.

‘Heel erg bedankt hoor,’ ging ik desondanks verder – of nou ja, ‘ik’. Mijn bewustzijn zweefde ergens anders rond, in een veilige ruimte die ruikt naar lente, geolied hout en gebakken maïs, en waar verder helemaal niemand is, in het niets, feitelijk. Soms vraag ik me af waar ik blijf.

Ik rekende af en deed uit het zicht van de kapperszaak met de aardige kapster mijn capuchon op. Thuis knipte ik bij zacht licht mijn haren erg kort. Leek iets meer op mezelf, wie dat ook mag wezen.

Aan de Amsterdamse grachten

De eerste burgemeester die ik me kan herinneren is Van Thijn. Daar hadden volwassenen het over, over Van Thijn en Gorbatsjov (die vlek!) en Wim Kok. De dingen die ik later wel zou gaan begrijpen – verkiezingen, politiek. Dingen die naarmate je er meer van wilt begrijpen ingewikkelder worden, zo bleek, ik snap er nog steeds niet veel van. Dat klinkt nalatig en dat is het ook; terwijl ik met leeg hoofd politieke berichtgeving probeer te lezen, ben ik ook van mening dat je als weldenkend onderdeel van een democratische samenleving ten minste lichtelijk op de hoogte moet zijn van het hoe & wat. Tegelijkertijd ben ik gemaakt voor zo’n democratische samenleving – met iets te veel vertrouwen ga ik er vanuit dat ze heus wel weten wat ze doen daar, in die torentjes en ambtswoningen. Dat het allemaal niet zo zwart-wit is.

Toen zich een menigte verzamelde onder de burgemeesterswoning was ik thuis, later keek ik er een filmpje van (het zal eens niet, ik ben altijd thuis en kijk altijd de filmpjes), waar ik over wilde vertellen aan mijn moeder maar ik moest huilen. Omdat ik erg van de stad hou en omdat sentimenteel zingende menigtes een gezapig snaartje raken en omdat het ook nog een smartlap was; ik herinner me de keer dat ik door de Jordaan liep en op een smartlappenkoor stuitte, iedereen stond er in een kleine kring omheen en iedereen wiegde mee en had tranen in zijn ogen, ik ook, ‘goddomme zeg,’ zei een man toen het klaar was en ik zei ‘ja goddomme, allemachtig.’

Het kan best dat zich in die menigte honderden racisten en opportune sensatiezoekers bevonden. Er zullen mensen te fanatiek gezongen hebben. Er zullen mensen gehuild hebben, zoals ik dat deed, niet zozeer om een man die ze niet persoonlijk kenden maar om de verhalen en omdat er zoveel mensen van hem hielden, op allerlei manieren, en dat ze daar toch maar stonden in een stad die onpersoonlijk aan kan voelen. Er zullen mensen alleen om de geborgenheid hebben gestaan. Er zullen zich mensen opgevroten hebben omdat ze het allemaal een hypocriete bedoening vonden.

En ik maar huilen. Alsof ik thuis ooit een smartlap luister, of ooit een woord gewisseld heb met de burgemeester, of überhaupt in de volle omvang begreep wat hij allemaal deed. Er zijn, ja, een homovlag hijsen, dan heb je me al, een boegbeeld zijn van de stad met de grachten die doorlopen tot in mijn aderen, echt waar, soms hoest ik een fiets op.

Het nieuws vanochtend was onverdraaglijk, net als mijn onwetendheid.

 

 

Het verandert

‘Is achtenveertig,’ stelde de man op de bushalte me gerust.
Ik stond niet op te letten maar naar het scherm van mijn mobiel te staren; foto’s van dieren, foto’s van gezichten, foto’s van boeken, een vriendin die vroeg hoe het met me ging.
Hij wist dat ik een andere bus moest hebben omdat we elkaar in de buurt waar we allebei heen moesten weleens tegenkomen, dan groeten we.
‘Is niet goed, telefoon,’ ging hij verder, ‘niet goed, de hele tijd op kijken.’
‘Nee,’ antwoordde ik, en stopte ‘m weg.
‘Iedereen!’ zei hij.
‘Ja!’
‘Op straat, op fiets, in auto!’
‘Stom he?’
‘Niet goed, niet goed. Je moet kijken. Alles.’
We lachten want er fietste een vrouw langs die op haar telefoon keek en daarbij haast een voetganger overreed. We lachten omdat er een auto met zeventig kilometer per uur voorbijraasde en we tegelijk het gebaar voor typen op je telefoon maakten. We lachten want de volgende bus was buiten dienst en de chauffeur reed terwijl hij iets op z’n schermpje deed.
‘De tijd,’ zei hij, ‘gaat weg. Je kijkt op telefoon en boem! Nacht!’
‘Kan ook met een boek,’ probeerde ik.
‘Anders.’
Tenslotte arriveerde de zevenendertig. Ik ging achterin, hij voorin, ik probeerde nog steeds die telefoon niet te pakken. Ik wilde het goed doen want hij had gelijk en ik wilde die grappige bushalteband die we hadden niet verbreken. Toch stuurde ik snel een kom eraan naar I., die de hond aan het uitlaten was – vroegâh kon je hele dagen kwijt zijn zonder kwijt te zijn, men zag je wel weer verschijnen, dan had je elkaar van alles te vertellen. Bij het opkijken van mijn scherm zag ik de man uitstappen, lachend, hij zwaaide en schudde zijn hoofd van neeneenee. Nee, schudde ik ook, met mijn schouders opgetrokken, alsof ik sorry zei, sorry dat alles de hele tijd verandert.

 

 

Zolderraam

Mijn oma belde vanuit de telefooncel bij station Gein naar mijn moeder. Ze was net van ons vertrokken. We hoorden allemaal dat brullende vliegtuig, zij was buiten, ze had het over zien komen.

‘Het was een bom,’ zei ze, ‘ik zag het zelf, het was een bom.’

Ik hoorde dat niet, stond op dat moment uit het zolderraam te turen,  wist zeker dat er straks een vliegtuig op ons pannendak terecht zou komen, dacht: ik moet ze waarschuwen, we moeten weg, en de poes dan, en de buren.

‘Ze dacht dat het een bom was,’ zei mijn moeder, die me naar beneden haalde, ‘maar dat zal toch niet?’

De volgende herinnering is weken, maanden of jaren later, we moeten op school een tekening maken en wie de mooiste heeft mag een mozaïektegel maken voor bij het monument. Of eigenlijk ging het anders, de leraar was vergeten dat die wedstrijd liep en koos een meisje uit dat bij de vorige tekenopdracht het mooist een ladder met een doek erop had nagetekend.

We woonden, al met al, mijlenver bij die ramp vandaan. In rijtjeshuizen, met poezen en buren die in het weekend klaagden over de barbecue en een veldje voor de deur waar een lelijk, ongevaarlijk speelding op was gezet zodat we er niet meer zouden voetballen. We hadden oma’s die de oorlog mee hadden gemaakt en kregen voortaan – althans, ik dan – zweethandjes bij een te luid vliegtuig. Maar er was niks aan de hand. We legden een tegel neer en vonden het erg, we werden gebeld door mensen die nooit in Zuid-Oost kwamen, of we nog leefden. We voetbalden om een blauwe poes heen.

I am afraid to see my heroes

Torres_Live_-_Athens,_GreeceI am afraid to see my heroes age
I am afraid of disintegration

Zingt Torres in ‘The Exchange’ (Sprinter, 2015). Het is een mysterieus lied, bijna a capella, door een diepe stem met een melancholische klank. Het gaat over haar moeder die haar moeder twee keer heeft verloren, de tweede keer door een ‘freak basement flood’; Under water/we’re under water.

Ik zoek haast nooit na waar liedteksten op slaan, vooral niet als ik ze mooi vind. Zal je net zien dat het hele nummer draait om het feit dat de zanger(es) God heeft gevonden, terwijl ik er net zo’n toepasselijk liefdeslied in hoorde; dan kan ik het nummer dus niet meer luisteren omdat ik de hele tijd het gevoel heb dat de artiest me iets veel te intiems vertelt. Iets waar ik bovendien niet in geloof. Het liefst weet ik zo min mogelijk.

I am afraid to see my heroes age

Torres is, zo blijkt als ik met lood in mijn vingers haar naam opzoek, de Amerikaanse Mackenzie Scott. Ze is een beetje into Christus, hoe kan het ook anders, heeft leren zingen in de kerk. Het lied, daar ging het me om, gaat inderdaad over de moeder van Mackenzie, die haar eigen adoptiepapieren kwijtraakte in een kelderoverstroming, waardoor ze nooit meer te weten kon komen wie haar biologische moeder was. Mackenzie zelf is ook geadopteerd. Welke van haar twee moeders (de biologische of de adoptiemoeder) nu precies die papieren kwijtraakte weet ik niet, ik stopte al met zoeken. I am afraid to get to know my heroes.

Schermafbeelding 2017-07-24 om 18.41.58De zin die bij mij steeds door mijn hoofd (en dus het huis) blijft zingen is die van die ouder wordende helden, daar bang voor te zijn. Bij Scott heeft het te maken met een algehele angst voor verkruimling, vergaan, bij mij is het platter. Misschien heeft het meer te maken met de menselijkheid van wat ik veronderstel iconen te zijn. Ik begrijp best dat Madonna er alles aan doet om er jong uit te zien, dat is namelijk precies wat idioten als ik van haar verwachten. Anders is het Madonna niet meer. Als ik een foto zie van Mick Jagger nu, naast een foto van Jagger in zijn gloriejaren breekt mijn hart. Mijn vroegere idool, Bette Midler, durf ik niet meer te Googelen.

(Idool is trouwens een groot woord, dat veronderstelt fan van iets zijn, je kamer volhangen met posters en elke snipper van iemands levensverhaal te weten willen komen. Ik wil gewoon duizend keer Beast of Burden op repeat hebben omdat ik het een lekker nummer vind en eenkennig ben. Hoe fout Mick Jagger is en hoe oud Bette Midler wil ik helemaal niet weten. Het moet wel een beetje mijn soundtrack blijven.)

I am afraid to see my heroes age

Ben ik bang om mezelf ouder te zien worden? Nee, ik geloof het niet. Die grijze haren vind ik wel grappig en dat je met de jaren kreukeliger wordt is onvermijdelijk. Ik heb helemaal geen zin om me daar druk om te maken, ook al zegt iedereen van boven de veertig dat dat nog wel komt. Ah ja; steeds banger zal ik worden voor ziektes, dat kan ik je vast vertellen, maar dat gaat niet om het zien ouder worden, niet direct tenminste. Wel vind ik het gek dat de mensen om me heen, dertigers, ik dus ook, vormvaster worden. We ‘zijn zo iemand die’ (een kind heeft, zo’n baan heeft, geweldige soepen maakt, altijd vroeg naar huis gaat of altijd de kroeg uitgeveegd moet worden, te hard lacht of nergens zin in heeft) aan het worden.

Of nou ja, ‘gek’ is niet het goede woord; ik vind het wel lekker, eigenlijk. Ik ben zo iemand van in de dertig met een hond en een windjack, die chick die schrijft, die ene die meestal wel trek in een biertje heeft en die te hard lacht. Ik sluit absoluut niet uit mezelf ooit nog te verrassen, maar dat het niet de hele tijd meer gebeurt is uitermate aangenaam. Dat ik nu intens jong belegen klink is overigens minder aangenaam, daar heb je ze al, die zorgen.

I am afraid to see my heroes age

Joan_Baez_2012Een paar jaar geleden zag ik Joan Baez optreden. Het was de eerste keer dat ik haar zag en vrijwel de eerste keer dat ik haar hoorde. Later zocht ik haar muziek terug – ik vond haar vroegere werk veel minder mooi dan wat ik haar met die oudere, diepere stem hoorde zingen. Was al aan die grijze haren gewend. Koesterde het feit dat een vrouw van in de zeventig nog kan staan shinen op een podium, ook zonder Madonna-ingrepen. Baez mocht niet meer terug veranderen. Hetzelfde heb ik met Abbey Lincoln; geef mij maar de opnames waarin haar stem wat stroever is.

Misschien is dat het: I am afraid to see my heroes change – blijf wie je was toen ik je leerde kennen, zodat ik nooit meer aan je hoef te denken, zodat je zo plat als een dubbeltje blijft en je liedjes (of boeken, for that matter) van mij blijven. Blijf met je verouderende tengels van je oeuvre, mijn soundtrack, af. Waag het niet ooit jong geweest te zijn.

Mackenzie Scott, Torres, is geboren in 1991. Dat betekent dat ze zes jaar jonger is dan ik. Dat betekent ook dat ze zich misschien later wel helemaal kapot schaamt voor wat ze nu zingt en schrijft, en dat ik dan (als ik ’t nummer zelf niet zat ben) niet meer naar The Exchange kan luisteren omdat ik dat weet. Dat ze in een interview zegt: die tijd heb ik achter me gelaten, die galm, dat sentimentele.

Stel je voor! Nee! Dat schamen doe ik zelf al genoeg (ik voorspel nu vast dat ik overmorgen mijn muren bijna doorklauw van spijt over het feit dat ik een mini-essay heb geschreven in de eerste persoon, dat zouden we toch niet meer doen, wie ben ik nou helemaal, ja dat ene zeikwijf van Tirade) en de wereld verandert al de hele tijd, zodat al die vormvaste dertigers van nu over twintig jaar het equivalent zijn van hun ouders die alleen maar in hoofdletters kunnen sms’en en zwarte piet wel best vinden. Laat mijn helden mijn helden blijven en mijn liedjes mijn liedjes, laat mij in die fictie geloven. Dan beloof ik dat ik soms dat windjack nog even uittrek om met de tijd mee te rennen.

[Foto Torres: Pinelopi Gerasimou, via Flickr]

[Foto Baez: Steve Jozefczyk , via Flickr]

—> Dit mini-essay verscheen eerder op de site van Tirade.