Skip to content →

Afleidende bijzaken

schermafbeelding-2016-10-30-om-22-24-37Schrijvers die het hebben over hun schrijfproces: ik vind het moeilijk. Achteraf kan ik het hebben, dat ze vertellen hoe ze op personage A kwamen en op motief B, al lees ik liever gewoon het boek. Schrijvers die het in het openbaar hebben over het schrijven van hun huidige project: hmmm. Online screenshots van woordaantallen, foto’s van verhaalschema’s, foto’s van onleesbare aantekeningen, foto’s van een stapel printpapier met rooie kringeltjes erin: meh. Ik snap het wel: het is fijn om je omgeving, terwijl je als een maniak aan je manuscript zit te werken, te laten zien dat je nog leeft. En als je na drie jaar afwisselend naar een knipperende cursor staren en vruchteloos duizenden woorden typen eindelijk over de 40.000 woorden heen zit, heb je misschien behoefte aan een schouderklop of applaus. Maar ik denk dan: joe, ik merk ’t wel als je boek af is hè. Dat heeft ongetwijfeld te maken met dat ik over het algemeen ook niet erg gevoelig ben voor ‘kijkjes achter de schermen’ (behalve als het achter die schermen heel spectaculair is, met veel vuur en mooie kleuren, zoals bij een glasblazer, of heel hoog, zoals in een hijskraan) of – en deze is tricky – de biografie van kunstenaars en schrijvers (tenzij met veel vuur en mooie kleuren, drank en hoeren kennen we nu wel). In die laatste categorie bestaan natuurlijk uitzonderingen, want een goeie biografie, biopic of een goed interview kan een kunststuk an sich zijn. Toch kennen mijn twee desinteresses – die stapels printpapier en die biografieën – misschien dezelfde oorsprong: het is namelijk je reinste demystificatie – ik mystificeer mijn helden graag. En soms is het gewoon kokette aanstellerij, bijvoorbeeld in geval van een overdaad aan online voortgangsverslagen, schrijven over je eigen schrijfproces of nodeloze autobiografieën.  Doe gewoon je ding, schrijvers, applaus volgt wel tijdens je boekhandelstoernee. Suck it up.

leonid_pasternak_-_the_passion_of_creationDit gezegd hebbende wil ik het even over mijn eigen schrijfproces hebben. En dan niet alleen dat van mijn volgende roman (huidige stand: 5000 woorden waarvan minstens 4000 poep, bedankt dat u ernaar vraagt) (hairflip), maar dat van alles bij elkaar; recensies, columns, blogs, verhalen, essays, de dingen die ik schrijf of eigenlijk zou moeten schrijven. Iedere keer als ik ergens aan begin, gaat het hele internet and beyond door mijn achterhoofd, of eigenlijk niet het hele internet maar een heel klein kruimelig hoekje ervan, waar je, als je er eenmaal in zit, verdomd moeilijk uitkomt, tenzij je het voor elkaar krijgt niet op social media te kijken maar daar ben ik persoonlijk te millennial voor. Het Literaire Internet. Een flauwe doch dikwijls correct gespelde afspiegeling van wat er in de echte wereld gebeurt, gelardeerd met polemieken tussen veelal heren uit de polemische generatie of met tenminste sympathieën in die richting, en een aantal flinke gewetensvragen.

cover_of_gutter_star_by_dorine_b-_clark_-_illustration_by_frank_uppwall_-_intimate_novel_1954Dan schrijf ik een roman met een mannelijk hoofdpersonage en denk ik nee dat moet een vrouw zijn want waarom schrijven we de hele tijd maar over mannen, alsof het echt zo is dat een mannelijk personage een soort blanco canvas is zonder afleidende bijzaken en bij vrouwen ineens alles uitgelegd moet worden, en dan verander ik ‘hij’ in ‘zij’ en ben ik ineens een kneiterlesbische zeikroman met veel te veel uitleg aan het schrijven, wat is daar mis mee vraagt u, nou helemaal niks, maar het overschaduwt de rest van het plot zo, en waarom schrijf ik eigenlijk geen Grote Geëngageerde Roman, nou, is het niet al genoeg dat ik niet over mezelf schrijf, nee, dat is niet genoeg, het moet Over De Wereld Gaan, maar ik heb helemaal niks van de wereld gezien, en dan verander ik die zanikende lesbo maar weer in een witte man van middelbare leeftijd en ga ik mezelf een beetje haten, maar dat zal wel weer komen omdat ik een vrouw ben.

Dan heb ik een mening over of schrijvers elkaars boeken moeten recenseren en schrijf ik die op maar heb ik na een aantal zinnen überhaupt geen zin meer om daar een mening over te hebben, want de literaire sector bestaat uit ongeveer vijftien mensen die zich heel druk maken om de literaire sector en de rest van lezend Nederland zal het werkelijk aan de reet roesten, maar als helemaal niemand meer een mening over dat soort dingen zou hebben zou het vrij rampzalig zijn, want de literatuur moet toch levend blijven, en het zou jammer zijn als die alleen in leven gehouden werd door louter (al dan niet mentaal) belegen kerels, echter, waarom ga je elkaar in het openbaar te lijf met vuile stukjes en niet gewoon telefonisch of zo, maar, dan onderschat ik weer het hele genre van de polemiek, en, doe ik nu iets heel belangrijks af als stijloefening, dus, kom ik eigenlijk nog wel eens ergens anders dan op een boekpresentatie, nee, en dan bel ik mijn moeder of we in godsnaam even ergens zonder literatuur in de buurt wijn kunnen gaan slempen, hoe ben ik hier eigenlijk beland, na zes bier klink ik als een ouwe Jordanees en eergisteren woonde ik nog in een nieuwbouwwijk en dacht ik dat De Groene Amsterdammer een blad voor natuurvrienden uit de stad was.

1024px-voor_de_vuist_weg_1971-02-26_-_tante_leen__johnny_jordaan_1Dan vind ik het echt heel belachelijk dat er mensen zijn die beweren dat er een absolute vrijbrief moet zijn voor het reproduceren van racistische stereotyperingen in Naam Van de Kunst, dan wil ik daar iets over opschrijven, maar dan denk ik: heb je Roos, met d’r donkerblonde haar, d’r witte vrienden en d’r keurige ouwelijke dictie tenzij zes bier, anders hou ik gewoon mijn geprivilegieerde muil even in het openbaar, en dan bel ik iemand op om even tegen te fulmineren, wat dus geen schrijven is, wat verdomme geen schrijven is.

Dan wordt er om de zoveel maanden een boek onterecht bejubeld en zou het op zich wel prettig zijn als iemand even zou opschrijven dat het een matig boek is, maar ik ben dus niet degene die dat gaat doen, ik hou van niet zeiken, in ieder geval niet over Nederlandseboeken, want dan vallen die vijftien mensen over je heen en daar is het leven te kort voor, en God, iedereen moet het toch eigenlijk lekker zelf weten levenlatenleven etc., ik hef zes glazen bier en biets een peuk, roep tegen mijn literaire vertrouwenspersonen ‘dit is een kutboek’ en daarna ga ik ergens shoarma eten en neem ik preventief een paracetamolletje.

Maar ondertussen ben ik dus zo hard bezig met niet over al die dingen schrijven, me keurig op de vlakte houden, alles doodnuanceren en relativeren, dat ik terstond ook niet meer kan schrijven over dingen die helemaal niks met bovenstaande kwesties te maken hebben. Er zijn Belangrijke Dingen aan de Hand, tenslotte,  in die kruimelige literaire hoek maar vooral in de rest van de wereld, hoe kun je het dan nog hebben over de neusverkoudheid waar je eigenlijk deze blog aan wilde wijden? Wie zit daar op te wachten? Helemaal niemand, nee. Inderdaad: suck it up.

fredott

 

Hallo, lezer die ’t tot het eind van deze tekst gehaald heeft. Dit is een tirade die oorspronkelijk op de site van Tirade verscheen. Daar schrijf ik meer, en met mij vele anderen, lekker lezen dus. 

 

Comments closed

Afhankelijkheid

“Mijn vader ligt diep in zijn kussen op een bed op de intensive care in een wirwar van draden, er zijn machines die hem in leven houden en artsen die geen tijd hebben, ik heb net staan schreeuwen dat ze me binnen moeten laten, dat ik zijn dochter ben, dat het me geen reet kan schelen of ik door een bewusteloze man als officieel contactpersoon ben aangemerkt of niet. Er was een receptioniste met een slechte dag, ik was onredelijk, riep tegen haar dat ze er goddomme maar iemand bij moest halen, een baas, de beveiliging. In mijn broekzak ging mijn telefoon, het was mijn werk, ik nam niet op.”

De Correspondent publiceert een serie essays onder de noemer ‘Afhankelijkheidsverklaring’. Mij werd gevraagd of ik hier een bijdrage aan wilde leveren en dat deed ik

Prachtig geïllustreerd door Pieter van Eenoge.

Comments closed

Nominatie, (dronken) Duitsers, agenda

Hier is niet zo veel te lezen de afgelopen tijd, dat komt voornamelijk omdat ik als redactielid op de website van Tirade blog. Hint: Tirade is een heel fijn literair tijdschrift dat al sinds 1957 bestaat, vol met mooie verhalen, poëzie, essays en illustraties en je kunt er zelfs een abonnement op nemen! Leest aldaar dus bij over mijn belevenissen met dronken duitsers en H.G. Wells, poëzie over Blokker (de winkel, niet de man), een amateurorkest en de botten waar ze op staan te toeteren, enz. enz. En als je toch bezig bent: lees gelijk de rest van de stukjes, er wordt mooi geschreven over fonteinen en kogelwerende vesten, ik noem maar iets.

In other news: Onheilig is genomineerd voor de Anton Wachterprijs.

Een hoofdstuk uit Onheilig is opgenomen in een Duitse bloemlezing over Amsterdam (Uitgever: Klaus Wagenbach).

En verder ben ik hier te vinden de komende weken.

Comments closed

Verslag uit de Europe Endless Express

Van 30 juni tot en met 2 juli reed de Europe Endless Express door zes Europese landen. Een festival in een nachttrein. Voor de SLAA schreef ik over het wel en wee in die trein – de verslagen werden op de Facebookpagina gepubliceerd.

1: Treinspotters
De trein waarin we zitten is bijzonder.
‘Ha,’ zegt een man wiens kaartje ik controleer terwijl ik geen controleur ben, maar er is een echte controleur kwijt.
‘Ik hoopte al dat het deze trein zou zijn. Duíts!’
Of misschien zegt hij Pools, of Hongaars, er bestaan ook vast Poolse en Hongaarse treinen – ik vind het heerlijk, één van de heerlijkste dingen om in een trein te zitten, maar alles wat met treinen te maken heeft, herkomst, techniek, glijdt langs me heen.
‘Duíts!’
De man is écht gelukkig, hij moet even naar adem happen als hij zijn eerste stap op de holle treinbodem zet.
Continue reading Verslag uit de Europe Endless Express

Comments closed

Niet de enige

Je veilig voelen, je niet hoeven verdedigen, het niet hoeven uitleggen van wie je bent, een plek waar je nooit – nooit – door een blik of een straat of een sfeer denkt: ik laat de hand van mijn geliefde los. Door op een plek te zijn waar iedereen op net een andere manier anders is en dat dat kleine verschil dat geen verschil zou hoeven maken, niks uitmaakt. Houvast hebben in het idee dat, ondanks het feit dat iedereen uniek wil zijn, je dat niet bent, je bent niet de enige, gelukkig niet. Tuurlijk: ruzie maken, vreemde blikken, nare voorvallen blijven bestaan, maar gewoon omdat je allemaal óók maar een mens bent, en niet omdat je gereduceerd wordt door waar je het liefst je piemel, vingers, tong of ziel en zaligheid in stopt.

Toevallig in Orlando wonen, neergeknald worden om het verschil dat geen verschil zou moeten maken, op een plek die veilig is zoals alle plaatsen dat zouden moeten zijn.

Het Paleis op de Dam in regenboogkleuren om een voorval aan de andere kant van de oceaan, wat goed is, maar cru – ook in de stad die tot een paar jaar geleden bekend stond als gay capital worden mensen neergeslagen en in een hoek gesmeten omdat… ja, waarom, eigenlijk. En neerhoeken is een grootse uiting van iets dat veel kleiner overal is; minigevaartjes, ongemakkelijke stiltes, net iets te lollige grapjes op net het verkeerde moment. Ik weet het heus wel, pure armoe is het hier niet, maar volledige vrijheid evenmin.

‘Waarom laat je ineens mijn hand los,’ vroeg een lief mij een paar jaar geleden.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde ik, ‘automatisch,’ en hij pakte mijn hand weer en even voelde ik me vreselijk ongemakkelijk, we liepen langs een plein vol feestende voetbalsupporters.

‘Ik weet het wel,’ zei ik toen, ‘hier zou ik normaal loslaten als ik even geen zin had in gezeik.’

Hij was mijn eerste vriend, ik had het ook niet aan zien komen. Ik moest heel veel uitleggen aan de mensen om me heen, alwéér, want iedereen was er na honderd jaar net aan gewend dat ik zo iemand was die het met vrouwen deed (‘hoe doen jullie het eigenlijk, mag ik meedoen, ik aaide alleen maar even’). En ik merkte ineens het verschil op straat. Het vasthouden van een hand was niet meer dan dat, geen statement, geen uitzondering. Van de barricades was ik nooit enorm geweest, nu voelde ik ineens allemaal activistische neigingen in me opborrelen maar was ik bang dat het niet meer geloofwaardig zou zijn. Voor de buitenwereld was ik ineens normaal, namelijk, en dan is het een stuk eenvoudiger om roeptoeterend tussen de hooligans door te laveren. Ik had makkelijk praten, bedoel ik, misschien helemaal geen recht van spreken meer.

En dat laatste is natuurlijk onzin; door m’n kop te houden, houd ik op kleine schaal het verschil in stand. Alsof ik, en mensen in dezelfde situatie, inderdaad heel iemand anders worden afhankelijk van de geliefde aan hun hand. Dus ik praat, desnoods te makkelijk, en hoop, en weet, dat ik godzijdank de enige niet ben.

Dit was mijn aller (alleraller)laatste column voor Advalvas

Comments closed

Onterechte zorgen: in aanbouw

Ik leg een verzameling aan van dingen waar ik me onterecht heel even erg hevig zorgen over kan maken. Dit is een fragment.

Appartementen in aanbouw
Bij mij in de buurt staat een hele straat aan nieuwe, onbewoonde appartementen, hoogbouw, nog half in aanbouw, op een braakliggend terrein. Het zijn mooie appartementen die ervoor zorgen dat de rij huizen erachter minder zon heeft.
Ik fiets erlangs en ineens zie ik de aannemer voor me, of iemand van de woningcorporatie of de grondbezitter – ik weet niet hoe dat gaat, in ieder geval is het een man in een grijs pak in een kantoor dat net te koud is door de airco, dat naar cup-a-soup ruikt en dat uitkijkt op een snelweg of een winkelcentrum dat goeddeels leegstaat of een schoolplein, waardoor deze man de hele tijd terugverlangt naar de dagen dat hij buiten mocht spelen en gladde kastanjes in zijn zakken stopte en dat de zandbak soms vaag naar hondenpoep rook maar dat je er toch in ging; die man zie ik voor me, met iets teveel gel in zijn haar en schoenen die knellen, een vriendin die een kind wil, een man die zijn bleke gezicht ontspannen probeert te wrijven met zijn handen, hij denkt God, als die huizen maar verkopen, het zijn er erg veel, waar ben ik aan begonnen. ‘s Avonds probeert hij in slaap te vallen met een verse baksteen in zijn maag.
Arme kerel, en dan vergeet ik ‘m ook nog zodra ik de hoek omsla.

Comments closed

Versleten gebeente

Het winkelmeisje, dat ongetwijfeld eigenlijk aangeduid moet worden met salesperson, keek zeer angstig naar me toen ik haar vroeg of ze me wilde helpen. ‘O God,’ zag ik haar denken, of eerder ‘OMG, like, WTF,’ en in haar hoofd ging ze diverse rampscenario’s af.

1: deze vrouw kan ergens niet bij en dan moet ik helefuckingmaal het trapje pakken.

2: deze vrouw is haar tweede jeugd aan het beleven en wil nu weten welke muziek er gedraaid wordt, maar hoe spel je Rihanna eigenlijk?

3: deze vrouw moet naar de wc, maar is te oud om dat zelfstandig te kunnen. OMG OMG.

Ik vroeg haar naar een T-shirt dat ik een tijdje geleden in de winkel gekocht had, ik wilde er nog eentje, het was mijn lievelings geworden. Ik voegde daar luchtig toe: “Dat weet je natuurlijk altijd pas achteraf,” wat ze niet overduidelijk niet grappig vond, terwijl ik het ook niet grappig bedoeld had. Ze keek even naar het plafond, alsof ze hoopte dat daar iets zwaars uit kon vallen dat mij keurig verpletteren zou, en toen naar de grond, op zoek naar de hendel voor het valluik. Sterven aan ouderdom, zag ik haar peinzen, was ook een optie.

“Dus…” zei ik, in een poging haar weer op gang te krijgen.

“Ik vraag het even voor u na,” antwoordde het meisje, ik veegde subtiel mijn paar grijze haren achter mijn oor.

Ik wachtte en stond daarbij in de weg, er trapten meisjes op mijn voeten en ze botsten tegen mijn rugzak en eentje bleef met hemd vol sexy slierten en gaten en prijskaartjes aan de rits van mijn jas haken, waarop ik terwijl ik haar losmaakte per ongeluk schor van het wachten zei ‘staat je wel goed’ en daarna een beetje dood wilde, zij ook, vermoedelijk. Ik nam plaats onder een hoog opgehangen rij shirts waarop stond: Born in the nineties. In de verte zag ik mijn salesperson met een collega overleggen, waarbij handen ten hemel geheven werden en ogen gerold. Ten langen leste keerde ze terug.

“Dat shirt was niet van deze winkel,” zei ze, “of het komt uit het vorige seizoen,” waarbij ze “net als u” inslikte en ik op mijn beurt niet uitriep dat zij toen zeker nog niet geboren was.

“Succes, mevrouw,” werd me toegebeten.

Een beetje van mijn stuk reisde ik naar het tweede doel van de dag. De Openbare Bibliotheek. Begeleid door de Openbare Bibliotheek-piano (waarom?) waarop iemand een Coldplay-Vanessa Carlton-medley ten gehore bracht (nogmaals: waarom?) en terwijl er op de eerste verdieping een vechtpartij uitbrak en op de zevende een kindervoorstelling begon, vroeg ik aan een medewerker of ze ook een boek over Argentijnse literatuur had.

“Ja!” zei ze blij.

Aangekomen bij het plankje bleek het boek, zoals gebruikelijk in de bibliotheek, op mysterieuze wijze verdwenen te zijn.

“Och,” zei de vrouw, “wat jammer voor je! Misschien heeft iemand anders uit je klas het geleend.”

OMG, dacht ik. Ik zei: “dat denk ik niet,” en vertwijfeld sleepte ik mijn versleten gebeente toch vrij soepel huiswaarts.

Deze (een-na-laatste, mijn God!) column komt uit Advalvas, het magazine van de Vrije Universiteit.

Comments closed

Schrijvers, hitte, schimmen (via Tirade)

Schrijvers vinden het lekker om verzengende hitte te omschrijven, misschien omdat iedereen het gevoel kent van naar adem moeten happen omdat de zon zo schijnt – dat alles stilstaat en jij langzaam verdwijnt in het asfalt of de bosgrond, als water of as, net hoe je pet staat. Daar ga ik al.

In César Aira’s roman De schimmen is het in Buenos Aires bloedverziekend heet op de laatste dag van het jaar. In het haast complete geraamte van wat een flat moet worden bereiden een Chileense nachtwaker en zijn gezin zich voor op het feest van die avond. De vrouwen doen boodschappen, de mannen werken nog in de bouw, er rennen kinderen door het lege complex en men poogt een middagslaapje te doen om de hitte te vergeten, al wordt er niet veel over geklaagd. Die hitte waarvan je leegloopt zodra je zit en een glas water drinkt is vanzelfsprekend maar geweldig beschreven, net als de geesten die in en om het gebouw rondwaren. Een beetje vervelend zijn ze, voor wie ze kan zien, maar ook te gebruiken als wijnkoeler. Op een bepaald moment zitten de schimmen – allemaal mannen, wit geschilderd of besmeurd met stof of kalk, alleen het puntje van hun penis perfect roze en vochtig – keurig naast elkaar over de gehele rand van een schotelantenne. Rondom dus, zwaartekracht is iets voor de levenden. Hoewel niet zeker is of de schimmen de doden wel zijn.

Ik liep op een weg tussen de weilanden en had verschrikkelijk de pest in mezelf. Binnen was het zo koel geweest dat ik geen idee had van de temperatuur waarin ik terecht zou komen tijdens mijn hardlooprondje. Na een paar minuten had ik het opgegeven om er een wandeling van te maken, maar het was al te laat, ik was oververhit. Voor me zag ik weg in water veranderen, boven die weg zweefde van alles, pluis, slome vliegen, generaties voorouders, uitlaatgassen. De sloten roken naar mest, niet uit drinken, niet uit drinken. Eindelijk thuis stond ik lang onder een lauwe douche en daarna duurde het nog een uur voor mijn gezicht zijn normale kleur weer had. Wanhopig staarde ik naar het plafond, waar op zijn rug, handen onder het hoofd en benen over elkaar, met een strootje in zijn bek een schim lag te grijnzen. Mijn kop, dacht ik, die zon, en achter mijn rechteroog voelde het opgezwollen waardoor het onmogelijk was mijn blik te verleggen. Dit is hitte vanaf nu, wist ik, een lachende witgeschilderde man. Ik deed mijn ogen dicht zodat ik hem niet hoefde zien te wenken, je moet niet meegaan met die beesten, dat leer je van Aira.

Deze blog komt van Tirade, waar ik iedere maandag een stukje schrijf. Soms over literatuur, soms over grijze haren of fietshelmen.

Comments closed